zondag 19 april 2020

20. Victor & Nettie

Victor met NJN speldje in een fauteuil in z'n studentenkamer in Utrecht in 1939 en Nettie in het Schwartzwald in 1937
Victor Westhoff werd geboren op 12 november 1916 in Situbondo, nabij de uiterste oostpunt van Java, en hij verhuisde op jonge leeftijd naar Laren in het Gooi. In 1966 keek hij zo terug op zijn jeugd: ‘Als kind zag ik in Laren een paradijs. In ander dan floristisch opzicht was het dat ook inderdaad. Het oude, intieme brinkdorp, weggedoken in een kom omringd door hoge heiden, met zijn ogenschijnlijk ordeloos verspreide schilderachtige boerderijen, zijn tussen akkermaalshout kronkelende weggetjes …’ (20.1). Al op z’n negende in 1926 maakte hij een kleine paddenstoelententoonstelling in hun tuin van de ‘Wenda-hoeve’ te Laren (20.2) en later zou hij schrijven hoe 12 paddenstoelensoorten omstreeks 1930 in die omgeving veel talrijker waren dan in 1966 (20.1). In die tijd begon hij eerst met hulp van zijn moeder met het leren kennen van de gewone planten, maar na zijn veertiende jaar ook de gras- en zeggesoorten. Uiteindelijk bleek de soortenrijkdom van de planten in ’t Gooi uit zijn jeugd, evenals de variatie, de nuances in overgangen alle groot (20.1). Het gebied dat hij kende breidde sterk uit nadat hij zich vijftien jaar oud in september 1932 had aangemeld bij de NJN afdeling Hilversum. Daarna zou hij zijn eerste jeugdbondsjaren geen excursie overslaan en zijn eerste publicatie schreef hij in 1934 in de Amoeba over invloed de afsluiting van de Zuiderzee op de planten die daar groeiden (20.3). De NJN bracht hem enerzijds bij de vogels (20.4), anderzijds ook bij de Winterswijkse bossen, beken en venen; eind juli 1933 was hij op zijn eerste NJN zoka Kotten I geweest en kwam daar ook boterham etend in de film van Ben van Noordwijk terecht (20.1). In Kotten zou hij zeer vaak terugkeren op de zoka’s in 1934, 1935, 1936  en 1938 (20.5), maar het zou uiteindelijk Terschelling zijn, dat zijn tweede vaderland zou worden. Dat was de plek waar hij in 1938 een NJN afdeling hielp baren en waarover hij in 1947 een proefschrift zou publiceren. In 1935 ging hij biologie studeren aan de Rijks Universiteit Utrecht, naar welke stad hij pas in 1939 verhuisde en waar hij bij Frans Tjallingi ging wonen in woongemeenschap ‘De Wig’. In 1935 was hij ook districtsleider van district III, waar hij als eerste een districtsblad (de Meerkol) oprichtte (20.6). Op 2 mei 1937, zou hij samen met Han Alta (20.7) in Kortenhoef de Sjocgroep (de eerste NJN werkgroep) en hun tijdschrift Kruipnieuws starten. Victor zou de leidsman worden van het plantensociologische deel van de NJN en later van heel Nederland.

Nettie werd geboren in Dordrecht op 22 september 1918 en ze zou met haar familie op haar vierde naar Utrecht verhuizen. Ze kwam al jong met de natuur in aanraking: ze ging met haar ouders mee met zeiltochten en mee naar de golfbaan in de bossen rond Zeist. In 1925 woonden het gezin voor Nettie’s gezondheid tijdelijk drie maanden in een huisje aan de Dolderse weg in Huis ter Heide. Met haar ouders zag ze naast dat huisje van dichtbij een zwarte specht broeden in een dode berk (een nest met één jong), het tweede broedpaar voor de provincie Utrecht (20.8).

Nettie is bij de NJN gekomen in oktober 1935, ze was toen 17 jaar en werd lid van afdeling Utrecht III. Bijna haar halve meisjesklas zat bij de NJN. Haar moeder had voor haar al eens eerder geïnformeerd naar de NJN, maar Nettie had er toen zelf geen zin in gehad met anderen mee te gaan. Nettie had in haar eerste NJN tijd een boek over naaldbomen en verzamelde kegels en takjes. In 1935 en 1936 las ze de plantensociologische artikelen van Victor over bossen in Amoeba. Na haar eindexamen op de HBS in ging ze om haar talen te verbeteren eerst biologie studeren in Freiburg in het Schwartzwald in Duitsland en daarna een jaar naar Lausanne in Zwitserland. In de zomervakanties kwam ze naar Nederland voor de kampen. Zo was ze op zoka op Terschelling, Skylge II (1936) met Gerrit van der Heide, Havelte (1937) met Dingeman Bakker, een deel van een vaarkamp in de Zeeuwse wateren (1938) met Kees Hana en Jaap de Jong en van Zuiderzee vaarkamp het eerste deel tot Zwartsluis (1939). 

Nettie en Victor zouden elkaar voor het eerst tegenkomen op een districtsexcursie naar Eijckenstein in 1935, ten noorden van Bilthoven. Ze kwamen beide met hun afdelingen fietsend: Victor uit Laren en Nettie vanuit Utrecht. Victor zat op dat moment als districtsleider van district III (de provincie Utrecht en het Gooi) in het HB. Ze zagen elkaar later ook nog op kaderlezingen (die bedoeld waren om dieper op de natuur in te gaan en excursieleiders op te leiden) in ‘De Zilvervos’, een zaaltje in Bilthoven. Ze zouden elkaar gezien hebben op een Leiderskamp (van de (K)NNV samen met vaklui van de NJN) op Schouwen in 1937, maar Victor was daar uiteindelijk niet bij omdat z’n vader ernstig ziek was.

Ze zouden nooit samen op een NJN zoka zijn. Het zou op het Leiderskamp in Mook zijn in de zomer van 1938, waar Victor de griep kreeg en hij op bed moest blijven, dat Nettie heeft hem daar toen regelmatig eten heeft gebracht en ze elkaar wat beter leerden kennen. Uiteindelijk besloten ze op 7 oktober 1939 zich te verloven en later dat jaar gingen ze samen naar zijn laatste NJN congres in Scheveningen, waar Victor ouwe sok werd. Eind jaren dertig waren ze samen wel vaker op andere kampen geweest die met veel leden nauw aan de NJN verbonden waren. Dat waren behalve de Leiderskampen van de (K)NNV met vaklui van de NJN, kampen van de Utrechtse Biologen Vereniging (de UBV; 20.9) en een kamp van de Nederlandse Botanische Vereniging in juli 1939. Op dat laatste kamp rond Kotten werd dankbaar gebruik gemaakt van de NJN terrein kennis om ook de planten van minder vaak bezochte hoogtepunten met NJN’ers (en Nettie als enige aanwezige vrouw en NJN’ster) te bezoeken (20.10).

Nettie zou erg belangrijk blijken te zijn als ze samen op excursie waren: Victor keek uitsluitend naar de grond, dus het was aan haar om de weg terug te onthouden en hun aandacht ging niet alleen uit naar planten (20.11). De NJN zou voor Victor de plek zijn waar hij leerde sociaal te zijn en met andere samen te werken en voor beide zou de band met de NJN en hun (oud)leden een rode draad door hun leven vormen. Victor zou uiteindelijk als de opvolger van Jac. P. Thijsse worden gezien. De laatste NJN excursie die Victor leidde zou uiteindelijk in 2001 in de Bruuk zijn, vlakbij hun woonplaats Groesbeek. Dit zou acht maanden voor zijn overlijden zijn. Wanneer de laatste NJN excursie voor Nettie wordt is nog niet te zeggen. Zij woont al vijftig jaar in het huisje in Groesbeek, zorgt er nog steeds voor dat delen van het archief van Victor op een geordende manier in het provinciale archief in Haarlem terecht komen, ze rijdt nog steeds auto en zit elke dag wel even achter de computer. Kortom als 101 jarige is ze nog steeds een vrouw van de wereld (20.12).

Opmerkingen
20.1 Saris, Frank, 2018. Victor Westhoff (1916-2001). Natuurbescherming als toevluchtsoord. Proefschrift, Radboud Universiteit Nijmegen, 1-386.
20.2 Schaminée, Joop 2003. Beelden in de natuur, Ter nagedachtenis aan Victor Westhoff. KNNV Uitgeverij. P. 9.

20.3: Westhoff, V., 1934. Aan de Zuiderzeekust. Amoeba 13 (6/7), pp. 85-88.
20.4 Westhoff, V., B. van Koersveld & D. De Lange 1935. Alweer de Steltkluit bij Hilversum. De Levende Natuur, vol 40(1935)nr. 2, p. 62-62. ‘Alweer de Steltkluit bij Hilversum. Misschien is het voor De Levende Natuur van belang, dat wij heden. Zondag 5 Mei, op een N. J. N. excursie in de bekende Vloeivelden bij Hilversum de zeldzame Steltkluut hebben waargenomen, die hier sinds 1927 niet meer geweest is. Uren lang hebben we het fraaie witte dier met de aan weerszijden pikzwarte vleugels, de opvallend lange, roode pooten, …’
20.5 Westhoff, V. & H. de Miranda (red.),1938. Kotten, zoals de N.J.N. het zag. Uitgave van de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie. 200 pp., (herdrukt in 1988).
20.6 Zie 'Levensloop van Victor Westhoff als lid van de N.J.N.' Gevoegd bij het afgestane N.J.N.-archief.
20.7 Jacques Meltzer wordt soms als medeoprichter genoemd maar in een tekst wordt dit gecorrigeerd in Han Alta.
20.8 Het eerste broedgeval van de zwarte specht was in de bossen van Brandenberg bij Baarn in 1924. J. VAN DER STRAATEN (eindredactie) 1971. Avifauna van Midden-Nederland, Stichting voor Vogelstudie en Vogelbescherming te Utrecht, zie p. 319.
20.9 Zekere NJN’sters/NJN’ers in het UBV bestuur tot aan het einde van de Tweede Wereldoorlog: 1930-1931 Erry (A.E.) du Marchie-Servaas; 1934 –1935 Frans (F.) Tjallingii; 1934 –1939 Mauk (M.F. Mörzer Bruyns) en 1940 – 1941 Victor (V.) Westhoff en 1945 – 1946 Frans (F.A.) Stafleu. Zie
https://ubv.info/nl/vereniging/bestuur/oud-besturen/

20.10 Sloff, Jan, G. 1940 Verslag van de 4e excursie der N.B.V. naar Winterswijk en omgeving op 21 —26 Aug. 1939. Nederlandsch kruidkundig archief. Serie 3, vol 50(1), 67-68.
http://natuurtijdschriften.nl/download?type=document&docid=549165
20.11 Victor keek ook naar dieren: hij verzamelde onder andere gallen, die tekende Han Alta dan en die kwamen weer in het Gallenboek van Han Alta en W.M. Docters van Leeuwen uit 1946 uitgegeven door de NNV.
En samen met Nettie bestudeerde hij ook mieren in bossen door heel Nederland: Westhoff, V., en J.N. Westhoff-de Joncheere 1942. Verspreidingen nestoecologie van de mieren in de Nederlandsche bosschen. (Wagen.), 1942. 76 blz. met tabellen. Mededeeling v. h. Gom. ter bestudering en Bestrijding v. Insectenplagen in Bosschen, No. 9.

20.12 Nettie: veel dank voor het leuke contact, de bezoekjes, de telefoongesprekken en de mailtjes afgelopen jaar.

Victor als zestienjarige op z'n eerste zoka in Kotten I in 1933, 'still' uit de film Kotten door Ben van Noordwijk.

1937 Victor (links) relaxed drinkend op Terschelling I.

'De sprookjesachtige wereld van Kottens oerwoud', foto gemaakt in 1936 door Victor, samengesteld uit twee foto's uit zijn fotoalbum, zie de sensationele grote versie.

 


Geboortekaartje van de afdeling Terschelling in 1938.



Hoepelnieuws, gemaakt op Sjocgroep-kampje in Lunteren, de eerste dagen van Januari 1940. Victor en Nettie zijn daar met flinke vorst heen gefietst. Het nummer draait om de hoepel als maat om een goede plantenopname te maken. 

 


1948 Victor als ouwe sok met Tjalling Waterbolk en Mien Waterbolk van Rooijen op een langdurige excursie naar Zwitserland.
1987 viering 50-jaar Sjocgroep met Victor en Nettie rechts van het midden, onderschrift zie hieronder, bron zie link
De ouwe sokken die er in 1987 allemaal bij waren, 50 jaar na de oprichting.


 
13 juli 2001 de laatste NJN excursie van Victor in De Bruuk, 8 maanden voor z'n overlijden (met dank aan Hester de Boer die er bij was en mij de foto stuurde).

Nettie in de nog steeds intacte bibliotheek van Victor in hun huis in Groesbeek op 14 juni 2019.



Intermezzo II: Eli Heimans & de NJN

Eli Heimans en Jac P. Thijsse rond 1895, ongeveer 34 en 30 jaar oud, 25 jaar voor de oprichting van de NJN
Een van de ingrediënten die van levensbelang is geweest bij de oprichting van de NJN was de liefde voor de natuur. De grote grondleggers daarvan waren natuurlijk Eli Heimans en Jac. P. Thijsse. De laatste zei over de eerste: 'Zonder Heimans zou ik nooit geworden zijn wat ik nu geworden ben’ (I II.1). De laatste was uiteindelijk verreweg het meest beroemd, maar op een merkwaardige manier zou de eerste uiteindelijk nog belangrijker worden voor het succesvolle begin van de NJN. Dat zit namelijk zo.

In de zomer van 1914 leidde Eli Heimans een geologische excursie van het Geologisch Mijnbouwkundig Genootschap rond Gerolstein in de Duitse Harz. Er heerste op dat moment een hittegolf in Duitsland ('om de Oostzee duurt de buitengewone hitte voort ...'; I II.2) . Op zijn slaapkamer in het huis van de hoofdonderwijzer en amateurgeoloog Stephan Dohm waar hij tijdens de excursie overnachtte (I II.3) schreef hij een kaartje aan z’n vrouw: dat het te heet, te ver en te vermoeiend was en dat hij mogelijk twee dagen later alweer thuis zou zijn (I II.4). Maar de volgende ochtend bleek hij die nacht van woensdag 22 juli 1914 op donderdag 23 juli 1914 te zijn overleden, slechts 53 jaar oud en een week voordat de eerste Wereldoorlog zou uitbreken.

Met de dood van Eli Heimans moest zijn ambitieuze zoon Jacob Heimans, 25 jaar oud, zijn geplande leven gaan veranderen. Enerzijds koos hij ervoor de rol van zijn vader over te nemen op natuurgebied en trad o.a. als redacteur van De Levende Natuur in zijn vaders voetsporen. Anderzijds moest hij de rol van zijn vader overnemen door te gaan werken om niet alleen geld voor zichzelf, maar ook voor zijn moeder en zus te gaan verdienen. Daarvoor moest hij zijn hoop op een grootse universitaire carrière in de biologie in de ijskast zetten, alhoewel hij wel in een deeltijdfunctie als assistent aan de universiteit bleef werken. Daarnaast koos hij ervoor om leraar plant- en dierkunde op een middelbare school te gaan worden (I II.5). Hij kwam in contact met Christiaan Gunning die bezig was om het Amsterdamsch Lyceum op te richten. Hij startte gelijk toen de school startte in augustus 1917 met een eerste klas. In die eerste biologieklassen die hij toen ging lesgeven zaten Maus Lieftinck, Frans Mijnssen en Carel van Regteren Altena (later drie NJN'ers van het eerste uur; I II.6). Met Jacobs combinatie van redacteur van DLN (waardoor hij de oproepen van Feiko Koster kon plaatsen en ondersteunen) en het directe contact met jongeren (die hij in zijn klas en op excursies enthousiast maakte voor de natuurstudie) zou hij de man zijn die op de achtergrond de NJN steun en basis bood bij de oprichting van de bond. Hij droeg zaken aan (de naam kwam bijvoorbeeld vrijwel zeker grotendeels uit zijn koker en het logo zeker) en de eerste generatie NJN leden besloten zelf wat zij met zijn suggesties deden.

Het merkwaardige wil dus dat door de veel te vroege dood van Eli Heimans zijn zoon Jacob in een positie kwam (waar hij zelf anders nooit toe gekozen zou hebben) die de vruchtbare bodem zou helpen creëren waardoor de NJN misschien wel zo succesvol oud kon worden.
 
Opmerkingen

I II.1 Marga Coesèl 2018. Eli Heimans. Uit de schaduw van Jac. P. Thijsse. KNNV Uitgeverij, 1-96. Zie ook https://www.leestafel.info/marga-coesel
I II.2 Buitenlandsch weerbericht voor 22 juli 1914. Nieuwe Tilburgse Courant 22 juni 1914.
I II.3 Jac. P. Thijsse 1914. E. Heimans. 19(14). DLN 318-319.
I II.4 Marga Coesèl, Joop Schaminée & Lodewijk van Duuren 2007. De natuur als bondgenoot. KNNV, p. 16.
I II.5 Marga Coesèl, Joop Schaminée & Lodewijk van Duuren 2007. De natuur als bondgenoot. KNNV, p. 222.
I II 6. Maus Lieftinck (1907 - 1985), Frans Mijnssen (1904-1951) en Carel van Regteren Altena (1907-1976). De laatste twee zouden ook de paranimpfen zijn bij Jacob Heimans promotie in 1935 (Marga Coesèl, 1993. Zinkviooltjes en zoetwaterwieren.  J. Heimans (1889-1978) Natuurstudie en natuurbescherming in Nederland. Uitgeverij Verloren, Hilversum. p. 78-79.


zondag 12 april 2020

19. Emancipatie binnen de bond

 
Tineke Rutten (rechts) excursie Vragenderveen Kotten I in 1934 in de film van Ben van Noordwijk (07:33).
De eerste twee decennia waren het misschien de jongens die de boventoon voerden, maar meisjes waren er weldegelijk. Erry du Marchie Sarvaas was er gelijk bij om vanaf 1920 haar handen uit de mouwen te steken en daarna kwam Suus van Santen, die in 1923 als eerste meisje in het HB kwam zitten (19.1). En zij waren heus niet de enige: een derde van de bond en de kampen waren meisjes. Zij waren misschien iets minder zichtbaar, maar zij waren er wel. Hoe het allemaal precies in elkaar zat is uit de fragmenten die ik ter beschikking heb lastig te reconstrueren, en ook Marga Coesèl (19.1) biedt weinig houvast in deze kwestie, maar hieronder een poging tot een zekere analyse.

Begin jaren dertig: hoeveel meisjes drongen door in een Amoeba uit 1930: Anneke Pannekoek schreef dat jaar in de Amoeba over zoetwaterslakken in Denekamp en Bekendelle en er werd geschreven over Hella ten Cate Brouwer die een levendige beschrijving over de slootflora en -fauna van Noord-Holland gaf, Bep van Bronkhorst die verteld had over de strandvogels op Voorne en Joop van de Vloodt over vogelwaarnemingen in de herfst (19.2).

Eind jaren dertig kan ik zien dat van de tien vaklui op Terschelling II in 1937 er drie meisje waren en dat van de negen distriktsleiders/-sters in 1937 er vier meisjes waren (19.3). Dat er op Bissen I (Zuid-Limburg) in 1938 twee van de dertien vaklui meisjes waren. De sprekerslijst van de bond uit 1938 laat daarentegen alleen 41 NJN-jongensnamen zien. In 1940 waren er van de 30 vaklui op Havelte I, II en III zeven meisjes (19.4). De sprekerslijst uit 1942 van Amsterdam (district IV) bestond uit 27 NJN namen, waarvan met zekerheid één meisje. In 1943 was dit totaal 32 namen met vier meisjes. Kortom ik had ergens gelezen dat de meisjes gedurende de oorlog een belangrijkere rol gingen spelen en dit lijkt dat te onderschrijven. Maar was dit ook het geval op bovo niveau? Marga Coesèl heeft een complete lijst van bovo’s in de periode 1920-1997 achterin haar boek gepubliceerd (19.5). Daarin zien we in deze periode inderdaad de eerste twee vrouwelijke bovo’s opduiken.

In de beschrijvingsbrief van het congres van 1939 stond er nog geen naam bij wie er voorgesteld zou worden als Algemeen voorzitter in het Centraal Bestuur. Gedurende het congres werd de beoogd kampsecretaresse Tineke Rutten doorgeschoven en zij werd de eerste vrouwelijke bovo van de bond en de term ‘Algemeen voorzitter’ werd tijdelijk vervangen door ‘Algemeen voorzitster’ (19.6). Tineke Rutten (19.7) kwam uit Utrecht, had o.a. in een klas gezeten waarvan zes van de dertien meisjes lid waren van de NJN (19.8). In het jaar ervoor in 1939 zat ze al wel in het Centraal Bestuur als penningmeester. Na de inval van de Duitsers en de capitulatie op 14 mei 1940, voelde zij zich echter niet zeker of ze de bond in die moeilijke tijd kon leiden. Ze had toen een briefwisseling met Aart Brouwer, die haar als laatste regel schreef ‘Zeg maar wanneer ik moet beginnen’. Ze is in juli 1940 door hem opgevolgd (19.9). De tweede vrouwelijke bovo van de NJN zou Emy Odé (19.10) worden in het CB 1943. Ook zij had het jaar daarvoor in het CB gezeten als bondssecretaresse. Daarna zouden in 1955 en 1963 Hanke Nugteren en Greetje Busman de derde en vierde vrouwelijke bovo zijn.
Ergens in 1979 was er op een redactievergadering van de Amoeba blijkbaar besloten om het zesde nummer van dat jaar een ‘Emancipatie Amoeba’ te laten zijn. De voorkant mocht er zijn en er wordt in één artikel een geanonimiseerde ‘Dag uit het leven van een jeugdbondshuis’ beschreven met de vraag ‘hoe geëmancipeerd is een NJN-familie’, naast een emancipatiequiz van zes vragen (19.11). Die emancipatie binnen dat huis bleek flink tegen te vallen, de rollenpatronen lagen redelijk traditioneel vast. Ook twee Amoeba nummers later, wordt een redelijk traditioneel beeld van de rolverdeling binnen de bond geschetst: ‘meisjes zijn in een bestuur meestal sec of ping, etc.’(19.12). Zou dit de reden zijn dat Marjolein Quené het jaar daarop in 1980 als vijfde vrouwelijke bovo het HB zou gaan leiden?
En dan de homo-emancipatie. Marga Coesèl noemt twee namen van homo’s uit de jaren veertig (19.13) en daar kunnen dan twee namen uit de jaren tachtig aan worden toegevoegd: Arthur Oosterbaan als uitgever en ondergetekende als bovo, beide in het HB van 1981. En natuurlijk kende wij in/uit die jaren meerdere homo’s, lesbo’s en bi’s in de bond. Daarin is door de homo-emancipatie in de maatschappij rondom de bond ook in de acceptatie daarvan breeduit in de jeugdbonden doorgedrongen. En natuurlijk zijn er ook in de eerste decennia meerdere homo’s, lesbo’s en bi’s geweest.

Maar nu komt het bijzondere. Wie had er nou gedacht dat die twee Amoeba nummers uit 1979 daadwerkelijk de bond zouden veranderen (of is dat toch wel wat te veel eer voor Rijcklof Hofman en de BBK commissie)? Velen zullen ongetwijfeld (met mij) in ieder geval verbaasd zijn wat er gebeurd als meisjes in de bondstop eens in een grafiek wordt neergezet (19.14 en zie het grafiek hier helemaal onder). Ja de multinationals kunnen daar een puntje aan zuigen. Kortom laten we hopen dat het met de emancipatie in de bond en in Nederland zo door blijft gaan als het de afgelopen decennia is gegaan.

Opmerkingen
19.1 In Coesèl (1997) p. 35
19.2 Anneke Pannekoek 1930. Moluskenvondsten in onze kampen Amoeba nummer 92, maart 1930 9(7): p. 107- 109; Leidster I 1930. Het F.T.S. album Amoeba nummer 92, maart 1930 9(7): p. 116.
19.3 Volledige lijst van Terschelling II 1937. Beschrijvingsbrief voor de AV van 1937, p. 4.
19.4 Beschrijvingsbrief voor de AV van 1937, p. 4. Kamp Bissen I 1938 [deelnemerslijst]. Sprekerslijst NJN Mei 1938.
19.5 In Coesèl (1997) p. 196-197.[Over deze lijst: Herbert Bijleveld was in 1942 voor de tweede keer bovo en niet Aart Brouwer, die toen al ouwe sok was].
19.6 Beschrijvingsbrief voor de AV van 1940, met aantekeningen van Fred Hoekzema, p. 6 en Reitze ten Cate vulde toen de vacature van kampsecretaris op. Het Hoofdbestuur was toen opgebouwd uit het Centraal Bestuur en de negen distriktsleiders.
19.7 Ze is waarschijnlijk geboren in 1918 en zou ergens in de jaren veertig trouwen met Dirk de Boer (1916-1998) met wie ze is gaan wonen in Arnhem. Begin jaren vijftig is ze echter in het kraambed bij de geboorte van haar eerste kind komen te overlijden (dit vertelde Nettie Westhoff – de Joncheere mij). Haar oudste broer Martin was overigens de beste vriend van Nico Tinbergen, met wie haar oudere zus Lies later dan weer zou trouwen.
19.8 Klas op de meisjes HBS aan de Wittevrouwensingel Utrecht, voorste rij midden van foto: Tineke Rutten geheel rechts Nettie toen nog de Joncheere (foto uit het album van Nettie Westhoff – de Joncheere).
19.9 Henk Nijman 2000. De bende van drie. Uitgeverij Troglodytus, p. 7 (zie noot 16: archiefstuk 327, tweede vermelding). en: p. 8 (juli moet daar gelezen worden als juli 1940).
19.10 Inderdaad familie van Baudewijn Odé die werkt op Naturalis.
19.11 Amoeba 1979 nr 6. Maria 1 en 2 ‘Een dag uit het leven van een jeugdbondshuis’ p. 8-9 [ging dit eigenlijk over de Admiraal van Gentstraat in Utrecht?] en Michiel Boeken ‘Emancipatiequiz’ p. 22-23.
19.12 Scheffer, Julia, Jan Knook, Roel Hein & Anita van Meeuwen 1979. BBK verslag 15-34 met p. 32 wijfjes en mannetjes. Amoeba nr.8 dec. (per ongeluk geciteerd als Martin Scheffer in Coesèl, 1979).
19.13 Bij Homoseksualiteit in Coesèl (1997) op p. 110 worden Henk Nijman en Hugo van Win genoemd.
19.14 Lijst van bovo’s na Coesèl (1997) die ik heb kunnen samenstellen samen met Linde Hoekstra, Hester de Boer, Saskia Roselaar en Margot Lieverse.
Bovo’s 1998-2020
1998 Margot Lieverse
1999 Gertjan Jobse
2000 Hilde Stolk
2001 Sjoerd Steenbergen
2002 Bram Koese
2003 Frederiek de Heer
2004 Casper van Tilburg
2005 Berber de Jong
2006 René Janssen
2007 Merel Collenteur
2008 Linde Hoekstra
2009 Nicky Lustenhouwer
2010 Jan Hovenkamp
2011 Fiona van der Burgt
2012 Rens de Boer
2013 Nine de Pater
2014 Mara de Pater
2015 Janna Fleuren
2016 Cathelijne Konijnenberg
2017 Merel Jacobs
2018 Mees van Horssen
2019 Tessel de Vries
2020 Jella Loose


Tineke Rutten op de eerste rij links aan het gangpad, helemaal rechts Nettie de Joncheere, eindexamenklas 1935-1936 op de 5-6 jarige meisjes HBS aan de Wittevrouwensingel te Utrecht.
Verkiezing van Tineke Rutten als de eerste vrouwelijke bovo van de NJN van het Centraal Bestuur in 1940

Voorkant van de Emancipatie Amoeba, september 1979 nummer 6 (19.11)







Amoeba november 1979 nummer 8: de BBK enquête grafieken en een meisjes en jongens discussie (19.12)
 

Derde van rechts: de vijfde vrouwelijke bovo van de NJN: Marjolein Quené (HB 1980).
Grafiek m/v verhouding bovo's 1920-2020 (zie 19.14).

zaterdag 4 april 2020

18. De zomer en winter van 1936

Congres 1936 in Oldenbroek: luister mee filmpje (3 min.)

Hoe zat het HB erbij toen de voorzitter zijn openingsspeech hield in 1936? We weten het niet helemaal zeker, vermoedelijk zal de voorzitter in het midden van het HB achter de tafel op het podium hebben gezeten (18.1). De speech van Frans Kok mag dan zacht zijn opgenomen, maar wacht maar tot de zaal na 2 minuten uit volle borst de bakmars gaat zingen (18.2).

Ben Lopes Cardozo (geboren in 1922) was er in die jaren bij en zei me in 2019 nog 'de bakmars: samen iets hebben was natuurlijk iets prachtig moois, maar de tekst van de bakmars was een beetje te plechtig en eigenlijk buitengewoon stom: goede woorden vinden zijn echt moeilijk, een mooie melodie dat lukt nog wel'. Kortom Ben vond het een beetje een stomme traditie.

En wat gebeurde er verder op het congres. De evaluatie van het jaar 1936 was positief: meer leden dan ooit waren mee op de zoka's en een ledenwinst van bijna 150 leden: dat moet bij het huidige HB als muziek in de oren klinken.

In 1936 waren er twee zoka's op Skylge, Terschelling. Op Skylge I werd gefilmd door Ben van Noordwijk sr. (zie onder; 18.3). Op Skylge II was Nettie de Joncheere (geboren 1918) aanwezig. In 1935 was ze in Utrecht naar volksdansles gegaan en 1936 werd haar eerste NJN jaar en haar eerste zoka was op Skylge . Daar heeft ze (net als op film gebeurt) inderdaad ook op het strand gevolksdanst.

In 1936 was ook het eerste zomerkamp waar Ben Lopes Cardozo naar toe ging. Dat was bij Denekamp, vlakbij de Duitse grens. Hij fietste er samen met Bob Speijer heen. Dat deden ze in een dag. Ze hadden toen eerst de boot van Amsterdam naar Harderwijk genomen, het tweede stuk fietsten ze. 'Wij hadden het thuis niet breed en toen was dat kamp echt zo geweldig'. Excursies gingen onder leiding van een vakman, die alle plantjes kende of alles wist over de geologie van aardlagen, die door de Dinkel waren ontsloten. Met een geologen-hamer gingen we daar in de bedding stenen stuk slaan om te zien of er fossielen tevoorschijn kwamen. Als kluns had ik daar een fraai zee-egel fossiel gevonden. Dat is mij afhandig gemaakt door een vakman 'een klunsje met zo iets moois dat kon niet'. Volksdansen deden we in een grote kring, een meisje van 18 sleepte me mee, iedereen deed mee. Hij herinnerde zich over een dans met merkwaardige zijwaartse sprongen, de jongens moesten een meisje ergens anders in de rij zetten en die moest weer een jongen ergens neerzetten. En dan de reveille. Toen ik Ben daarnaar vroeg groef hij in z'n geheugen en dit filmpje is wat er naar boven kwam (zie onder). 'Is dat dan nu niet meer zo? Daarna poelen, daarna ontbijt.' Was dat ontbijt met pap? 'Ik heb geen culinair geheugen' was daarop zijn antwoord (18.4).

Opmerkingen 
18.1 Bijgevoegd de oudst bekende congresfoto die ik heb kunnen vinden uit 1943 
18.2 De opname heeft mogelijk plaatsgevonden op de "K1 magnetophon", de eerste recorder die gebruikmaakt van een papieren band met een laag van ijzeroxide-poeder, die ontwikkeld is door BASF in 1935. Zie Wikipedia. Zal de opname van de nachtegaal in een tuin in Wassenaar (zie blog 11) als proefopname hebben gediend? 
18.3 Zo liet Ben van Noordwijk in 1979 bij het 40-jarig jubileum van NJN afdeling Eindhoven zijn films uit de jaren dertig aan de toenmalige NJN en vele ouwe sokken zien (zie foto beneden). De films heb ik van Ben van Noordwijk jr. gekregen, waarvoor veel dank. In 1936 zou Ben ook filmen bij de Flaauwers Inlagen, Schouwen.
 18.4 Dit vertelde hij me in verschillende interviews in de zomer van 2019, een paar maanden voor z'n dood op 28 september 2019 en in wat hij ooit opschreef over zijn leven in 'Ben's verhaal'. 

Film gemaakt in 1936 door Ben van Noordwijk: Skylge op zoka met Joost Ter Pelkwijk ´Pelk´ als voorzitter, verkorte versie filmpje (3 min.).


Ben van Noordwijk laat zijn films zien op de reünie in 1979 van 40 jaar NJN Eindhoven
2019 Ben Lopes Cardozo fluit een stukje reveille zoals het geblazen werd om 7:00 op zoka in de eind jaren dertig. Filmpje 


zondag 29 maart 2020

17. De Tinbergen-broers & de NJN


Niko 26 jaar oud op Groenland (links; uit 17.9) en Luuk 21 jaar oud (rechts; zie 17.19)
Er is natuurlijk wel een boekenplank vol geschreven over deze twee jongens. Ik ga proberen een schets te geven met stukjes over hun jeugdbondstijd die voor Niko Tinbergen (uit 1907) van 1920-1930 liep en bij Luuk Tinbergen (uit 1915) van 1927-1938.  

Niko en Luuk Tinbergen werden geboren als derde kind en jongste in een Haags zin met oorspronkelijk zes kinderen (17.1). Hun vader Dirk was docent Nederlands op het Gymnasium Haganum aan de Laan van Meerdervoort, hun moeder had voor onderwijzeres gestudeerd, maar was zoals vrijwel alle vrouwen in die tijd huisvrouw. Als kind al had Niko aquaria en terraria. Hij werd in zijn de jeugdjaren een hyperactief kind genoemd dat veel spijbelende van school. Hij zat op de tweede H.B.S. aan de Stadhouderslaan in den Haag en hij had zich daar als fanatieke natuurtiener bij de E. Heimans schoolnatuurclub van zijn biologie docent Abraham Schierbeek aangesloten. Omdat dat een van de schoolclubs was bij de oprichting van de NJN in 1920 betrokken was, was hij daarmee automatisch een NJN’er van Haag II geworden. Zijn biologie docent was vanaf 1922 begonnen met een inventarisatie van Meijendel, waar Niko en enkele andere NJN’ers aan mee hielpen (17.2). In april 1924 gaf de vogelfotograaf Jan P. Strijbos een lantaarnplaatjeslezing voor de NJN in een gymzaal in Den Haag. In de pauze kwam een schuchter jongetje naar hem toe, die hem goed-geslaagde foto’s van meidoorns in Meijendel liet zien. Dat was Niko en nadien verloren ze elkaar nooit meer uit het oog (17.3). Ook met Jac.P. Thijsse zou hij erg goed bevriend raken. Niko zou veel prachtige foto’s voor de in die jaren zeer populaire NJN-kalenders gaan leveren. Binnen de NJN was Niko er een voorstander van discussies: [Wat zou de] "N.J.N. geesten aan waarde winnen, als de jongens en meisjes wat meer met elkaar gingen denken en praten! (17.4) (in plaats van dat ze van alles wordt verteld, waarna ze moeten luisteren). In 1925 ging Niko drie maanden veldwerk doen op een ornithologisch veldstation op de Koerse Schoorwal (nu een onderdeel van de Russische enclave bij Kaliningrad, bij het dorp Rybatsji) en besloot daarna biologie te gaan studeren in Leiden. Niko had overigens meerdere kanten. Aan de ene kant was hij voor school lui (17.5) aan de andere kant zei hij in 1928 tegen Mary Boetje - van Ruyven toen ze per trein samen van Zuid-Limburg terug naar Den Haag reisden, de weg zwijgend af te leggen, ‘omdat we zoo moe waren, [en] zei Niko: Dat is een bewijs, dat we gewerkt hebben’(17.6). Hij hield behalve van de natuur ook heel erg van sporten en was erg goed in hockey, maar koos uiteindelijk voor het eerste. Aan de ene kant had hij als jonge jongen een hekel aan insecten (17.7) terwijl de oriëntatie van de bijenwolf (een soort roofwesp die bijen vangt) uiteindelijk het onderwerp van zijn proefschrift in 1932 zou worden.
  
Luuk Tinbergen was de jongste broer van het gezin, hij was geboren in 1915 en dus 8 jaar jonger dan Niko. Luuk zou in de voetsporen van Niko treden: zowel in zijn even grote liefde voor de natuur, zijn lidmaatschap bij en grote inzet voor de NJN (17.8) en ook hij ging in 1932 biologie studeren in Leiden. Beiden hadden de allergrootste liefde voor vogels. Maar Niko was breder geïnteresseerd en schreef ook over zaken als de stuifduinen op Schouwen (17.9) en van strandvondsten tot de heidevlinder: over alles wat hem interesseerde. Luuk zou in z’n NJN-tijd behalve tabellen over vogels maken ook schrijven over de spreeuwentrek over Den Haag (17.10).

Buiten de grote invloed van de kust ging de familie Tinbergen na 1920 met vakantie jaarlijks naar Hulshorst (17.11). En dat werd de tweede plek waar ze beiden hun hart aan verloren: Niko onder meer aan de bijenwolf en de heivlinder. Luuk kreeg hier ongetwijfeld zijn voorliefde voor roofvogels, waarover hij als 16-jarige samen met Niko zijn eerste artikel in DLN in 1931 over schreef (17.12). Een drietal kleine stukjes over hoe Niko later terugkeek op die plek: ‘Totaal verschillend waren de uitgestrekte heidevelden. In de nazomer, als de hei massaal in bloei stond, lag er een paarse gloed over de golvende vlakten, die geleidelijk vervaagde in de gloeiende nevel die als gevolg van de hitte over de velden hing, terwijl de horizon glinsterde en trilde in de hete zon. De heidebloempjes die een heerlijke honing leveren, trokken ontelbare insekten aan, waarvan het ononderbroken gezoem een even essentieel element van het landschap vormde als het geluid van de branding aan de kust’. ‘Van de uitwerpselen van de vele konijnen leefden mestkevers; op zonnige dagen vlogen zij hoog door de lucht en dan probeerden boomvalkjes, die kleine elegante vogels, ze in hun vlucht te verschalken. Zandloopkevers, grote roofvliegen (Asilus) en talrijke graafwespen voorzagen in hun levensonderhoud door de jacht op andere insekten die hetzij op de schaarse vegetatie leefden, hetzij per ongeluk in dit gebied verdwaalden, zoals de ongelukkige langpootmuggen.’ En over zijn ontmoeting met de bijenwolf: ‘Mijn zorgen waren helemaal voorbij; ik had nu een duidelijk idee van mijn onderzoek. Later bleek dat deze dag een mijlpaal vormde in mijn leven. Komende jaren zou ik mijn zomers slijten in gezelschap van deze wespen; aanvankelijk alleen, later met een steeds groter wordende groep van medewerkers, voor het merendeel zoölogiestudenten van de Leidse universiteit.’ (17.7)  
Beiden hadden tijdens hun jeugdbondsbestaan een NJN’er als beste vriend: dat was de Utrechtse vogelaar Martien Rutten voor Niko. Waarschijnlijk kampeerden ze bijvoorbeeld samen een maand lang op De Beer in de zomer van 1928 (17.13) en Niko zou later trouwen met Lies Rutten, zijn zus. Joost Ter Pelkwijk (‘Pelk’) was de beste vriend van Luuk. Luuk en Joost gingen tegelijkertijd in Leiden biologie studeren en Joost werd uiteindelijk weer de assistent van Niko: samen zouden ze in DLN een roemrucht artikel schrijven over de stekelbaarsjes (17.14). Later werd Luuk in Leiden weer de assistent van Jan Verweij, de allereerste die in Nederland in 1925 vogelgedrag systematisch was gaan bestuderen (17.15). Van hun vader hadden beide jongens een groot tekentalent meegekregen. Daarmee zou Luuk, die de allereerste Nederlandse tabel Veldkenmerken van steltlopers, zwanen, ganzen en eenden schreef ook zelf illustreren (17.16). Maar ook Niko zou tijdens zijn internering als gijzelaar door de Duitsers in Haren en St. Michielsgestel niet alleen boekjes gaan schrijven, maar deze ook zelf illustreren (zie tekening onder). Niko was tijdens zijn hoofdbestuurstijd in 1928 natuurhistorisch secretaris geweest, Luuk zou Amoeba redacteur worden in 1931 en ook na zijn jeugdbondstijd nog lang als lezinghouder op de NJN lijsten staan (17.17).  

Heeft de NJN de ethologie uitgevonden? Geenszins! Maar het mag duidelijk zijn dat beide Tinbergen broers met hun enthousiasme, hun grote creativiteit en grote kennis mee hebben geholpen enerzijds de ethologie vorm te geven en anderzijds dat ze het natuurhistorisch peil in de eerste twee decennia van de NJN op een hoger peil hebben helpen te krijgen. De vogel-excursies van Niko en Martien waren op het 1928 zoka in de Bisse in Zuid-Limburg zeer populair (17.18) en als Luuk zo’n groot portret krijgt in het congres-spot-blaadje de Pestvogel van 1936 (17.19), dan mag het duidelijk zijn dat beiden in hun NJN-tijd op handen werden gedragen.

Beide broers zouden hoogleraar worden: Niko eerst in Leiden, toen in Oxford en Luuk in Groningen. Beiden zouden daar geliefd zijn en de ethologie studie op een hoger plan brengen. Luuk had echter, tot grote droefenis van zeer velen, in 1955 een einde aan zijn leven gemaakt. In 1973 zou Niko uiteindelijk een Nobelprijs krijgen (17.20) en hij zou in Oxford uiteindelijk in 1988 overlijden, hij zou uiteindelijk tweemaal zo oud worden als zijn broer.
Opmerkingen

Met dank aan Frans Beekman voor de hulp met het vinden van aanvullende literatuur.
17.1 Een kind overleed op zeer jonge leeftijd (Coesèl, M., Schaminée, J. H. J., & van Duuren, L., 2007. De natuur als bondgenoot. De wereld van Heimans en Thijsse in historisch perspectief. Utrecht en Amsterdam, KNNV Uitgeverij en IVN, 1-288).
17.2 Schierbeek, A., 1923. Meijendel-onderzoek. DLN 27(10): 318-319. [Abraham Schierbeek; 1887-1974].
17.3 Strijbos, Jan P., 1976. Vogelvrij. Mensen en tijden die ik gekend heb. Haarlem : Uitg. Schuyt en Co. 1-154. [Niko en Luuk zie p. 122-129]. [Jan P. Strijbos en Niko waren verder beiden mee in 1930 bij de biologische studenten excursie dezelfde plek dat toen in Oost-Pruisen lag]. En: ‘Over Niko Tinbergen’ https://www.universiteitleiden.nl/dossiers/lezingen-bij-science/niko-tinbergenlezing/over-niko-tinbergen
17.4 Niko Tinbergen, 1926. In de Amoeba Dec. 1926. [zie Mary Boetje – van Ruiven (1930) p. 42-43].
17.5 Canvas documentaire een paar jaar terug sprak zijn dochter ‘Hans Van Dyck op zoek naar Niko Tinbergen, 5-12’ op YouTube [video later verwijderd, zie foto hieronder]. [Mijn eigen analyse van deze eigenschap zou erop kunnen duiden dat hij hoogbegaafd zou kunnen zijn geweest en zich op school verveelde].
17.6 Mary Boetje – van Ruiven (1930), p. 106.
17.7 Tinbergen, Niko, 1978. In 't vrije veld. [Autobiografisch boek]. https://www.dbnl.org/tekst/tinb003intv01_01/tinb003intv01_01_0002.php
17.8 Hun oudste broer Jan was overigens enthousiast lid geweest van de Arbeiders Jeugd Centrale (de A.J.C., een arbeidersjeugdbond).
17.9 Frans Beekman, 2005. Niko Tinbergen in de Schouwse duinen (1930). Sterna (Natuur- en Vogelwacht Schouwen-Duiveland), september 2005: 41-45. Zie https://tijdschriftenbankzeeland.nl/issue/ste/2005-09-01/edition/0/page/3?query=
17.10 Frans Beekman, 2011. Zorgvliet in vogelvlucht, Haagwinde 4(3): 8-9.
17.11 Veen, Peter, 2019. De familie Tinbergen en Hulshorst (deel 1) – Wonen in Hulshorst aan de zoom –    (deel 2) – De rijkdom van zand en bos – . De Mothoek van de Heemkundige Vereniging Nuwenspete te Nunspeet: 35(1): 24-29 en 35(2): 64-69. [ook deel illustraties uit over genomen]
17.12 Niko Tinbergen & Luuk Tinbergen, 1931. Waarnemingen aan roofvogels en uilen. Eerste artikel DLN 36(3): 69-80. Plus nog twee daarna.
17.13 In DLN 33(6): 191. ‘Na een maand op „de Beer", Hoek van Holland, gekampeerd te hebben ..’ door Martien Rutten gecombineerd met ‘Zomerwaarneming van een Nonnetje’ door Niko Tinbergen, zou op dit gezamenlijk verblijf van beiden kunnen duiden.
17.14 Roodkaakjes [Over de stekelbaars]. DLN 41(5) 129-137. http://natuurtijdschriften.nl/download?type=document&docid=491746
17.15 Jelle van Dijk, 2017. Jan Verwey en zijn studie van kievitengedrag. De Strandloper 49e jaargang nummer 4, december 2017: 20-21. http://natuurtijdschriften.nl/download?type=document&docid=661304 Zie verder: C. A. Davids, 1997. Recensies [De geboorte van de ethologie als wetenschap had plaats toen sommigen van deze jonge onderzoekers, zoals Jan Verwey, Frits Portielje, Frans Makkink, Adriaan Kortlandt en Niko Tinbergen, hun aandacht primair op stereotiep gedrag van dieren gingen richten …, 1371-39]. Ik kan de precieze citatie even niet meer vinden].
17.16, zie de vorige blog nr 16.
17.17 Luuk zie blog 15. De citatie voor Niko houden jullie te goed.
17.18 Mary Boetje – van Ruiven (1930), p. 106.
17.19 Coesèl (1997), p. 62.
17.20 Een Nobelprijs voor biologie is er niet dus het werd de Nobelprijs voor Fysiologie of Geneeskunde die hij samen met Karl von Frisch en Konrad Lorenz kreeg. Zijn broer Jan Tinbergen had in 1969 al samen met Ragnar Frisch de Nobelprijs voor Economie gekregen. De enige keer tot nu toe dat twee broers een Nobelprijs hebben gewonnen.


Verdere literatuur
Röell, D.R. De wereld van instinct. Niko Tinbergen en het ontstaan van de ethologie in Nederland (1920–1950) . Nummer 52 van Nieuwe Nederlandse bijdragen tot de geschiedenis der geneeskunde en der natuurwetenschappen, ISSN 0168-9827.

Wel deed hij af en toe aanvullende waarnemingen bij Den Helder en op Texel. In ieder geval dook het onvoltooide manuscript weer op na de Duitse inval in 1940. Het instituut in Den Helder moest worden ontruimd en Jan Verwey kreeg een werkkamer in het museum aan de Raamsteeg in Leiden aangeboden. Daar werd Luuk Tinbergen zijn assistent. …. Zijn assistent in Leiden, Luuk Tinbergen, raakte vermoedelijk geïnspireerd door de fraaie tekeningen die Rinkel bij zijn artikel had geplaatst. Luuk Tinbergen was behalve een gedreven onderzoeker ook een begaafd tekenaar. Zie daarvoor zijn tekeningen in de klassiekers Vogels in hun domein (1943) en Vogels onderweg (1949).
Kruuk, Hans, 2003. Niko's Nature: The Life of Niko Tinbergen and his Science of Animal Behaviour OUP Oxford.

Want Niko bleef zijn hele leven vogelaar en vogelfotograaf. Bekend is de ingenieuze schuilhut, waarbij Niko zich in het zand ingroef in een kuil overdekt met rieten manden of wrakhout om de grote sterns op De Beer (Het Vogeleiland) te fotograferen. Hij stuurde regelmatig foto’s in voor de befaamde NJN natuurkalender, wat in 1926 de reactie van zijn idool Thysse uitlokte, dat ‘er nu wel genoeg plaatjes van nestelende vogels waren en er wat interessanters moest komen’. Waarop de 19-jarige terugschreef, dat nu andere hoofdstukken aan de beurt zouden komen, zoals voedsel zoeken en vogeltrek.
Marga  Coesèl, 2010. Wie was....? nr. 19 Luuk Tinbergen, M. in Heimans en Thijsse Nieuwsbrief nummer 39 (november 2010). http://database.heimansenthijssestichting.nl/luuktinbergen.php
Kerst , Anton, 2008. Niko Tinbergen, vogelaar, Nobelprijswinnaar Boekbespreking. Fitis 44 (1): 31-32 
Voous, K. H., 1995. In de ban van vogels. Uitgeverij Scheffers. [Luuk p. 456-457 en Niko 495-499].


De familie Tinbergen bij huisje 't Witte zand' bij Hulshorst in 1926: Niko staat bij de paal, Luuk ligt midden voor (uit 17.11).
Niko zelfde plek in 1926 dan 19 jaar oud in z'n NJN tijd (17.5) zie stukje video
NJN excursie in 1929: ringen van jonge meeuwen in de Schouwse duinen gemaakt door Niko (uit de Wandelaar 1930)
Luuk en Niko bij Hulshorst, getekend door Niko Tinbergen in 1944 'in 't Zand' (17.11)
Het huis waar ze beide als kind woonden in de Bentinckstraat 146 in Den Haag, iets meer dan 1 km van de haven.


Foto's overgenomen uit publicatie van Peter Veen (zie 17.11)
  
Prof N. Tinbergen Oxford (FRS is Fellowship of the Royal Society of London), eigen foto uit mei 1984: hij was sinds 1977 met pensioen en hij had in 1984 geen kamer meer in het Zoology Department.

 


zondag 22 maart 2020

16. Tabellenwijsheid



Boekjes uit 1912 en 1913, de eerste druk van de NJN tabel van Luuk Tinbergen rechts, kwam in 1934 uit

Wanneer verscheen in Nederland de eerste handzame, zacht kaftige, redelijk complete en goedkope tabel en werd die allereerste tabel dan ook nog eens door de NJN gepubliceerd? Lees eerst maar eens hoe je als beginnend NJN’er in die eerste decennia van de bond aan je kennis kon komen, voordat ik die vraag daarvoor kan beantwoorden.

In de jaren twintig waren er wel wat natuurboekjes maar op excursies en op zoka was er redelijk vaak de kennis en hulp gebruikt van de oudere kampleiders /-sters om wat er werd waargenomen en gevonden op naam te brengen. In het eerste officieel opgestelde reglement van de NJN uit 1920 stond overigens wel dat het zo mogelijk uitgeven van determinatietabellen zou kunnen gaan helpen bij doel wat de NJN zich stelde ‘de beoefening van natuurstudie bij jongeren te bevorderen’ (16.1).

Er was in die tijd eigenlijk maar één gebied van natuurstudie waar er een mogelijkheid was om zelf alles van in het veld op naam te kunnen brengen en dat waren de planten. De eerste flora was ooit geschreven door Hendrik Heukels in 1883, de tweede flora was die van Eli Heimans en Jac P. Thijsse uit 1899 en die was geïllustreerd, waarna een jaar later in 1900 Heukels ook met een geïllustreerde versie kwam (zie foto boven). Redelijk ingewikkelde determinaties konden met beide flora naar de juiste soort leiden (16.2).

Thijsse publiceerde in 1912 ook ‘Het Vogelboekje’ waarin niet alleen elke in Nederland broedende soort kort staat besproken (en sommige geïllustreerd) maar waarin ook een vogel determinatietabel stond (zie foto geheel onder). In 1913 zouden er twee deeltjes verschijnen van ‘Het Strandboekje’ van W.H. Heinsius en J. Jaspers (zie foto boven) en de eerste uitgave van ‘Het Paddenstoelenboekje’ van Cath. Cool en H.A.A.van der Lek. Al deze boekjes werden uitgegeven in de ‘de bibliotheek van DLN’, met harde kaft en tabellen erin. Ook in allerlei tijdschriften werden in jaren wel determinatietabellen geschreven, maar deze waren te wetenschappelijk, in te onhandige tijdschriften en te zeldzaam om daadwerkelijk mee het veld in te nemen (16.4).

Zou het Gallenboekje uit 1926, door A. Joman uitgegeven door de toen 25 jarige Nederlandsche Natuurhistorische Vereeniging als eerste tabel kunnen gelden? Nou nee, ook dat was een boekje, evenals de volgende delen zoals Dorsman, L. & Iz.A.J. De Wilde, 1929. De land- en zoetwatermollusken van Nederland. Hun bouw, levensgewoonten en een beschrijving der soorten. Deze werden beide door de Nederlandsche Natuurhistorische Vereeniging uitgegeven. De eerste uitgaven van wat de succesvolle reeks van de ‘Wetenschappelijke uitgaven van de KNNV zou gaan worden.

Maar nadat Luuk Tinbergen begin jaren dertig eerst wat artikelen over watervogels in de Amoeba had geschreven moet zijn 'Veldkenmerken van steltlopers, zwanen, ganzen en eenden' uit 1934 inderdaad uitgegeven door de NJN (16.5) volgens mij worden beschouwd als de eerste Nederlandstalige ‘tabel’. Verder te koop voor Hfl 0,25, waarmee het voldeed aan alle bovengenoemde kenmerken. Wel zit er in deze tabel geen dichotome determinatietabel en is hij toch wel iets groter dan tegenwoordig. De wens van Thijsse was ooit dat er ‘betaalbare en goede boekjes over de Nederlandse natuur’ zouden verschijnen (16.6). En daar voldoet zeker Luuk’s eerste tabel aan, maar ook nu nog steeds alle uitgaven van de huidige JBU (16.7).

Opmerkingen
16.1 gepubliceerd in De Levende Natuur (DLN) van oktober 1920, Coesèl, 1997, p. 24
16.2 Heukels begon als de schoolflora, Heimans als Thijsse begon als de meer wetenschappelijke flora, maar in de jaren die volgden zou de focus van beide flora wisselen: de laatste zou de schoolflora worden, de eerste (afgelopen jaar net in de 24ste druk verschenen) de wetenschappelijke.
16.3 Uit in 1913: ‘Het Strandboekje’ van W.H. Heinsius en J. Jaspers en ‘Het Paddenstoelenboekje’ van Cath. Cool en H.A.A.van der Lek.
16.4 Determinatietabellen verschenen oa. in Tijdschrift voor Entomologie over bijvoorbeeld libellen door Maus Lieftinck in 1925/1926 toen hij waarschijnlijk nog NJN'er was op 21/22 jarige leeftijd.
16.5 Luuk Tinbergen, 1934. Veldkenmerken van steltlopers, zwanen ganzen en eenden. Uitgegeven voor de Ned. Jeugdbond v. natuurstudie bij G.W. Breughel Amsterdam.
16.6 Nijkamp, Jan, 1981. 80 jaar KNNV. KNNV uitgeverij
16.7 De JBU is de jeugdbondsuitgeverij, sinds 1973 op een prima manier gerund door drie toenmalige jeugdbonden en na de fusie van de KJN en de CJN door de twee huidige jeugdbonden samen.


Lijst van tabellen NJN uitgaven 1934-1944, gerangschikt per jaar, plus gevonden opmerkingen erover tussen [ ]. 
Tinbergen, L. (Luuk), 1934. Veldkenmerken van steltlopers, zwanen ganzen en eenden. Uitgegeven voor de Ned. Jeugdbond v. natuurstudie bij G.W. Breughel Amsterdam, 16 pag. (2e druk april 1937, 3e druk september 1940, 4e druk april 1942)[punt toegevoegd in beschrijvingsbrief voor congres 1941 8d Veldkenmerken te herdrukken; begroting congres 1941: 1000 ex. à f 250,-]. [punt in beschrijvingsbrief voor zomercongres 1945 10f4: herdrukken].

Miranda, Huib de 1936. Mossentabel. stencil, NJN. [Prijs 1939 f 0,90.]
Miranda, Huib de, 1937. Mossentabel. NJN. [Uitverkocht op congres 1940, ‘H.B. stelt voor niet tot herdruk over te gaan’.]
Tinbergen, L., 1937. Roofvogels Uitgave N.J.N. , 36 pag. (2e druk 1939). [Prijs 1939/1941 f 0,50]. [punt in beschrijvingsbrief voor zomercongres 1945 10f4: herdrukken]
Dobben, Dr. W.H. van & D. Hoos, 1938. Vogeltrek en Vinkenbaan . Theorieën over vogeltrek en vogeltrek over Nederland & de Vinkenbaan; met tekeningen over het geheelde vinkersbedrijf van J.J. Ter Pelkwijk en L. Tinbergen. Nederl. Jeugdbond voor Natuurstudie, 36 pag. [Prijs 1939/1941 f 0,50].
Westhoff, Victor en Huib de Miranda (red.), 1938.  Kotten, zoals de N.J.N. het zag . Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie, plm. 200 pag. [Prijs 1939 f 2,25].
Alta, Han, 1940.  De plant in het volksgeloof. 80 pag. (gestencilde uitgave)[Prijs 1941 f 0,45].
Meltzer, J. & V. (Victor) Westhoff, 1940. Inleiding tot de plantensociologie. Uitgave van de Sociologengroep van de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie. 139 pag. [Daarna geheel herzien, uitgegeven in 1944, in de bibliotheek van de KNNV].
Dijk, J.W., & V. (Victor)Westhoff, met medewerking van J. Vlieger, 1941. Overzicht der plantengemeenschappen in Nederland. Uitgave van de Sociologengroep van de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie. 90 pp.
Westhoff, V. (Victor), J.W. Dijk (Johan) & H. (Herman) Passchier, 1942. Overzicht der plantengemeenschappen in Nederland. Bibliotheek van de Nederlandsche Natuurhistorische Vereeniging 7. 79 pp.
Heide, G.D. (Gerrit) van der, 1941  Zeevogels Meeuwen, Jagers, Stormvogels jan van gent, duikers, sterns, alken uitgave Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie. (werktitel op het congressen 1939 &1940 was ‘Vogels van Zee en Strand’) [Prijs 1941 f 0,50]. [punt in beschrijvingsbrief voor zomercongres 1945 10f4: herdrukken]
Margadant, W.D. (Wim), 1944. Mossentabel. NJN. [punt in beschrijvingsbrief voor congres 1941 8c mossentabel; begroting congres 1941: 750 ex. à f 675,-] . [punt in beschrijvingsbrief voor zomercongres 1945 10c mossentabel: verschenen voorjaar 1944]
Andel, Tjeerd van 194?. Keientabel. [precieze jaar nog onbekend]
Andel, Tjeerd van 1944. Keientabel gestencilde uitgave. [punt in beschrijvingsbrief voor zomercongres 1945 10d: herdruk verschenen voorjaar 1944]
 

 

Stukje uit de determinatietabel uit 'Het Vogelboekje' van Thijsse uit 1912.





37. So Long, Farewell, Auf Wiedersehen, Goodbye

Foto 1: Kort verslag over de eerste excursie naar de Baest bij Oirschot die ik als proef lid meemaakte op 29 oktober 1972 in de Fragilaria e...