zondag 20 september 2020

37. So Long, Farewell, Auf Wiedersehen, Goodbye

Foto 1: Kort verslag over de eerste excursie naar de Baest bij Oirschot die ik als proef lid meemaakte op 29 oktober 1972 in de Fragilaria en links de eerste foto die van mij als NJN'er werd gemaakt (verslagje en foto: Martin Abma).

Er is geen film die ik zo vaak gezien heb als 'The sound of music' en die film kan me soms nog steeds ontroeren. Toen ik laatst aan een vriendin over de NJN vertelde, deed me dat laatst ook nog wat. Ik begon ooit met vogels kijken op m'n veertiende. Bij toeval noemde een klasgenoot van m'n zus de naam NJN (37.1) en toen zij die letters bij het avondeten noemde zei m'n vader 'O daar ben ik vroeger ook lid van geweest'. De toon was gezet: Jeannette en ik werden beide proeflid van afdeling Eindhoven. Waar mijn zus op een winterexcursie driemaal in een sloot werd geduwd en zij natte voeten kreeg, bleef mij dat bespaard. Waar zij daardoor gedwongen afhaakte, bleek de NJN voor mij een juiste voedingsbodem. Kennis over vogels verzamelde ik via mijn hartsvrienden van toen Tom en Rob (vier keer in de week gingen wij soms wel samen op excursie), kennis van de omgeving van Eindhoven kreeg ik via de NJN en daardoor leerde ik hun de Strabrechtse heide kennen, waar wij als 'de drie van Eindhoven' zeer vaak zouden vertoeven (37.2). Deze jaren brachten een kanteling in mijn leven. Van de jaren daarvoor bij de padvinders en verkenners heb ik geleerd hoe ik een platte knoop moet leggen (en dat gebruik ik nog regelmatig), wat ik in de jaren daarna bij de NJN heb geleerd, tsja dat gaat te ver om dat allemaal op te sommen. Zoals ouwe sok Dominic Dijkshoorn me afgelopen weekend zei: 'bij de scouting waren zoveel regels en geboden, bij de NJN ontbraken die en wat een verademing was dat voor mij en alles liep gewoon fantastisch'. Ook een vriendin zei me: 'wat had ik in mijn jeugd graag van de NJN gehoord: al die zaken die ik na mijn 21-ste in de vrouwenbeweging heb geleerd, die zou ik dan ook bij de NJN hebben geleerd, maar dan wel negen jaar eerder'. 

Was iedereen dan enthousiast als ze met de NJN in aanraking kwamen? Zeker niet! Mijn zus is na die ene winterse excursie nooit lid geworden van de NJN. Ook de ervaring van Daan Remmerts de Vries (geboren 1962; tweemaal Gouden Griffel winnaar) was zodanig dat hij niet alleen besloot geen lid te blijven van de NJN, maar hij kreeg ook een hekel aan verenigingen in het algemeen (37.3). Verder ken ik ook het verhaal van een meisje dat zich in de jaren zeventig ontzettend op de NJN had verheugt: daar wilde ze lid van worden! Toen ze er eenmaal bij was viel het haar zo ontzettend tegen: de ongeschreven groepsregels van de NJN (hoe je je moest gedragen en kleden) irriteerde haar mateloos en ze haakte af. 

Het jaar dat ik, na een paar maanden proeflid te zijn geweest lid werd was in 1973 en vrijwel gelijk daarna werd ik toen gestrikt om in het afdelingsbestuur te komen zitten. Wat ik als NS zou moeten gaan doen ('gewoon wat excursies regelen en de rest loopt wel los') ging best goed, eerst samen met Martin Abma en het jaar daarop alleen. En toen Martin in 1976 ging studeren verzekerde hij mij dat ik een goede opvolger van hem zou zijn als voorzitter. Wederom overvallen door die mededeling, ging ook dat me daarna best goed af: met een team van tien hadden we een gesmeerd lopend afdelingsbestuur dat mijn haast brallerige opmerking bij het aantreden als voorzitter ('over een jaar zullen we het aantal leden verdubbelt hebben tot 60') geregeld hadden. Aan libellen werd toen redelijk wat gedaan in de afdeling. Langzaamaan begon ik daar meer naar te kijken dan naar vogels, Door de vangst van de superzeldzame bronslibel (Oxygastra curtisii) in 1976 op een NJN Eindhoven-Helmond excursie (foto 3) werd mijn lot definitief in die richting getrokken. Overigens was de IWG in die dagen nauwelijks in vlinders en libellen geïnteresseerd (te groot en dus oninteressant)(37.4), dus zou ik me later meer bij de combi HLWG aansluiten. Dat zou ook mijn persoonlijke leven beïnvloeden: de eerste jongen die ik ooit zou zoenen was op een HLWG kamp en dat was een ACJN'er. 

Eind 1980 was ik 22 jaar. Ik had wel balletjes opgeworpen dat ik mijn laatste jaar wel in het HB zou willen zitten, maar daar kwam voor het congres niets definitiefs uit. Op het congres bleek dat de plek van bovo nog vacant was. Van mijn taken die ik als KP'er op mij had genomen kwam weinig terecht, maar omdat ik de enige was die de taak van bovo ambieerde, werd ik het. Wat een hectiek werd het, wat een jaar. In het HB zat oa. Bettina Loose (de huidige 2020 bovo Jella Loose is haar dochter) en ´NH´ werd ons hoofdthema. Het congres van 1981 was in Helmond, de yoghurt-kwestie op het zoka van Cap Griz Nez en de statuten waren hot items. Wat waren we daarna natuurlijk kapot met z'n allen.

Ik werd ouwe sok, maar ook daarna hield het nog niet op. Met name door de libellen word ik eigenlijk tot op de dag van vandaag nog steeds zo af en toe gevraagd of ik zin heb om op een kampje mee te gaan. Vorig jaar in de trein onderweg naar een Hemka van de IWG stapte een NJN'er in en die reageerde toch wel een beetje verafschuwd: een ouwe sok die ook meeging, daar had hij niet op gerekend en daar had hij helemaal geen zin in. Ontzettend begrijpelijk, maar gedurende het kamp bleken we het gelukkig toch goed met elkaar te kunnen vinden. Hoort mijn naam daarom misschien wel een beetje thuis bij die ouwe sokken die het jeugdbondsbestaan ook na hun 23-ste niet helemaal kunnen loslaten. Of ik het anders doe dan anderen weet ik niet zeker, wel beschouw ik het als een grote eer dat ik zoveel jeugdbonders heb mogen leren kennen en ik hoop dat geen van hen mij ooit zal kunnen beschuldigen van bemoeizucht. 

En zou me dan gevraagd kunnen worden is het waar dat er niets veranderd is? Voor de laatste 50 jaar lijkt dat in grote lijnen wel te kloppen. Maar zoals te verwachten: nadat ik me er nu in verdiept heb meen ik te zien dat het eerste decennium toch echt anders was. In het begin was er de federatie van schoolclubs, maar ook de jaren daarna waren ze daadwerkelijke afhankelijk van ouderen omdat jongeren in die dagen bijvoorbeeld geen contracten mochten ondertekenen. Je ziet ook dat Mary Boetje - van Ruyven echt een steunpilaar was, een ouder iemand bij wie je te rade kon gaan: voor namen van paddenstoelen en/of allerhande meer organisatorische en persoonlijke zaken. Dat is daarna nooit meer op die manier zo geweest. Met de beslissing in 1934 om ouwe sokken als kampouder op zoka's slechts een symbolische functie te geven (iets wat overigens toen informeel al jaren aan de gang was) brak de puberteit van de NJN echt aan: echte volledige onafhankelijkheid. Ik heb tot halverwege de jaren dertig in de NJN terug kunnen kijken door mijn gesprekken met ouwe sokken en ook daarin heb ik weinig schokkends gehoord over zaken die toen echt anders liepen. Wel heeft elk HB zijn eigen problemen gehad: steeds weer dezelfde wielen die moesten worden uitgevonden, maar ook zaken uit die de tijd zelf die overwonnen moesten worden. Daarbij waren de oorlogsjaren waarnaar ik zelf het meest benieuwd was. Mijn mening is nu dat er toen (hoe ontzettend erg dat daadwerkelijk voor de Joodse leden zelf moet zijn geweest; die moeten hun 'uit de bond zetten' als een verschrikkelijke steek onderwater hebben gevoeld) voor duizenden jeugdbonders het voortbestaan van de NJN gedurende de oorlog, een vlucht uit die donkere dagen hebben betekend (37.5). 

Dan ben ik vanaf nu net als vele anderen in afwachting wat de 'digitale mini reünie' ons aanstaande zaterdag 26 september 2020 gaat brengen. 

Dank!
Bij deze wil ik iedereen die ik geïnterviewd heb nogmaals ontzettend hartelijk danken. Het was een grote eer met jullie terug te mogen kijken naar jullie jeugdbondstijd. Nettie Westhoff - de Joncheere vooral jij, altijd bereid om je herinneringen te delen, met mij mee denken, mee te kijken naar oude foto's en films of er nog bekenden opstonden; dank voor al je mailtjes die je me midden in de nacht stuurde! Tientallen anderen, al dan niet jeugdbonder, heb ik daarnaast gesproken, ook veel dank voor jullie verhalen en meningen. De uiteindelijke aftrap van dit 'blog-proces' was begonnen bij mijn bezoek op 9 februari 2019 in de Artis bibliotheek aan de vrouw zonder wie dit proces volstrekt onmogelijk was geweest: Marga Coesèl (37.6). Zij heeft met haar geschiedschrijving over de NJN in 1988 en 1997 de kaders geschapen waarbinnen ik me heb kunnen bewegen. Marga echt waanzinnig bedankt voor de twee boeken met jouw minutieuze speurwerk! 


Opmerkingen

37.1 Die klasgenoot van mijn zus was Niek Lopes Cardozo, de jongste zoon van Ben Lopes Cardozo (1921-2020), zie blog 23.

37.2 Ons allereerste artikel schreven we voor ons afdelingsblad: Tom Heijnen, Marcel Wasscher & Rob de Boer 1973. Steltlopers op de Strabrechtse heide. Fragilaria oktober 1973: 2-4. 
http://www.libellen.org/suriname/6artikelen/pdf/1973%20Heijnen,%20Tom,%20Marcel%20Wasscher%20&%20Rob%20de%20Boer%20&%201973.%20Steltlopers%20op%20de%20Strabrechtse%20heide.pdf

37.3 Daan Remmerts de Vries 2020. De geluiden van de NJN. De Scharrelaar 2020(1): 7-15. Mogelijk binnenkort hier een link naar de pdf.

37.4 Wel deed ik mee met waar bij de IWG in die jaren over werd gezongen 'Join the IWG, travel the world, catch interesting insects and kill them, tralalala': in m'n NJN tijd ging ik op reis naar Turkije, Syrië, Egypte, Soedan en Kenia.

37.5 Voor de principiële tegenstroming 'niemand de bond uit, anders opheffen' kan ik veel begrip tonen, maar er is toen de democratisch gekozen weg van doorgaan ingeslagen, dat valt nooit meer terug te draaien.

37.6 Zie voor een foto van Marga Coesèl https://knnvuitgeverij.nl/artikel/marga-coes%C3%A8l.html 

Foto 2: In de Biesbos, Heka Dee XII Drimmelen, oktober 1975. Met vlnr. Onno van Hagen, Hans F. Hoekzema, onbekend en Marcel (foto: Peter Voorn).

Foto 3: Excursie Collse zegge bij Geldrop met NJN Eindhoven en Helmond op 6 juni 1976: daarop kwamen wat leden aandragen met de superzeldzame bronslibel (Oxygastra curtisii) in hun net.


Foto 4: Watergevecht bij de Grote Beerze na het Heka van oktober 1980 van DeeXII met vlnr. onbekend, Geert-Jan van der Burgt, Marc van Gemert, Marcel, Cax Hoekzema en Nienke Klerk.

Foto 5: 1977 Pen 'Hoge Bovo's vangen veel wind'. Zo kon je het maar beter niet aanpakken: bovo Paul Vertegaal had te kennen gegeven dat hij ook als bovo maar een gewone NJN'er was en hij kreeg op deze manier wel een eigen bovo-fanclub maar ook een beetje op het congres de wind van voren.


woensdag 16 september 2020

Intermetzo: nog 10 dagen ...

Foto uit de film over het zoka Kotten I in 1934: op excursie vermoedelijk in de Kottense beek

Een filmpje tussendoor voordat op zaterdag 26 september 2020 eigenlijk de reünie zou zijn. Op die dag zal nu om 12:00 een minidocu over een huidige NJN'er, een huidige NJN'ster en een ouwe sok gepresenteerd worden, nadat er vanaf 11:00 die dag een door oa. de reüniecommissie van de NJN verzorgde 'life-stream' te zien zal zijn.
Het filmpje dat ik nu op youtube heb gezet is de eerste van een serie films die door Ben van Noordwijk in de jaren dertig over de NJN gemaakt is en ze werden in die jaren vaak gebruikt voor propaganda doeleinden. Nu is deze film speciaal op muziek gezet door ouwe sok Eva van Ooijen. Zie:

of klik op https://youtu.be/dpZgRAj4u4E 

Namen van jeugdbonders die in de film langskomen: Wim Margadant (later de mossenman van Nederland, die z'n tent uitkomt, te zien op  '3.21'), Rein de Wit (onder de pomp gehouden omdat hij z'n bed niet uitkwam te zien op '3.43'), Tineke Rutten (die later de eerste vrouwelijke bovo van de NJN zou worden in 1940, te zien met bril op '6.58' en '7.30') en Victor Westhoff (die na het overlijden van Jac.P. Thijsse in 1944 min of meer zijn opvolger zou worden, te zien op '13.21' en op '14.26').

Verder werden de kampspullen per koffer verzonden (op '2.24') het poelen/zwemmen (ook de jongens in badpak, vanaf '4.30'), de broodsnijmachiene (op '5.27') en een enkele stropdas (op 7.41').

Zeer veel dank aan Ben van Noordwijk jr., die mij de gedigitaliseerde film heeft gestuurd, Eva van Ooijen voor het componeren en het uitvoeren van de muziek en Nettie Westhoff - de Joncheere die mee heeft geholpen om te kijken welke bekenden er op de filmbeelden stonden.


zaterdag 12 september 2020

36. Is er na 100 jaar nog wel natuur over?

Foto 1. Een jonge wezel op handen gedragen op een NJN-excursie op de Kampina, 30 mei 2019 (36.1)

Is het de moeite waard, verbitterd te worden over de achteruitgang van de Nederlandse natuur? Natuurlijk is er alle reden om je zeer ernstig zorgen te maken, maar is het genieten van de natuur door de jeugdbonders zelf, de verwondering over de kleine en grote verrassingen die excursiegangers tegenkomen er minder om geworden? Veel ecologische paradijzen van weleer zijn aangetast enkele zijn helemaal verdwenen: niemand kan ontkennen dat ondanks de recent weer verder toegenomen noodzaak van de voedselbanken, voor velen de economische situatie van 1920 (twee tot vier generaties geleden) toch echt wat florissanter is geworden. Is de grote achteruitgang van de natuur, de prijs die wij voor de welvaart betalen?

Hoe zou het eigenlijk zijn geweest om in 1920 op excursie te gaan? Ik vermoed dat ze toch meestal naar redelijk bekende streken en over bekende paden zijn gegaan. Veel van de toen echt heel erg woeste gronden waren vermoedelijk voor fietsende jeugdbonders veelal onbereikbaar. Ten eerste omdat alleen lokale schaapherders of boerenkinderen met de paar koeien van hun ouders er rond liepen over zeer smalle paadjes die kronkelden over de uitgestrekte veen- en heidegronden. En ten tweede stel dat je daar over modderige zandpaden of karrensporen met je excursie was gekomen, hoe had je dan aangekeken tegen de schamele plaggenhutten die er bijvoorbeeld nog in het Bargerveen waren (36.2). Hutten waar gezinnen woonden waarvan de kinderen als extraatje zonnedauw plukten dat toen als medicijn tegen keelaandoeningen werd gebruikt en van hun werd gekocht (36.3)? Zouden ze het brood wat ze op kamp meegekregen hadden gedeeld hebben met de mensen die daar rondliepen? En ik vermoed dat toch aardig grote delen van Nederland toen verboden toegang waren: privé landgoederen waar jachtopzieners en koddebeiers waakten, zoals je nu nog rond ‘de Hoort’ bij Budel en in natuurreservaten betrapt zou kunnen worden. En met de jacht op ‘schadelijk’, en eetbaar wild waren sommige dieren hun leven toen minder zeker dan nu. Natuurlijk waren er ook stukken zoals de omgeving van Kotten in de Achterhoek, waarvan de omgeving uiteindelijk op elke vierkante meter door NJN’ers op plantjes was uitgeplozen (foto 3), zodat zelfs leden van de Nederlandsche Botanisch Vereniging verbaasd waren over wat daar allemaal meer voorkwam dan dat ze kenden, toen NJN’ers hun geheimen daar lieten zien (36.4). Overigens waren er naast paradijzen plekken met vervuiling en stank: niet alleen delen van steden zouden uitzonderlijk gestonken hebben ook sommige Twentse beken stonken hevig door lozingen van de textielindustrie (36.5) of door lozingen van steden en dorpen.

Zelf heb ik mijn NJN-tijd in de zeventiger jaren rond Eindhoven doorgebracht, ongeveer halverwege het bestaan van de NJN. Natuurlijk was het toen onmogelijk om de hele omgeving goed te kennen. In de afdeling hadden we onze vaste gebieden waar we op excursie gingen, maar met stafkaarten in de hand gingen we op kamp natuurlijk ook op zoek naar nog onbekende paradijzen. Ook deed ik samen met mijn boezemvrienden van toen Rob en Tom mee met de eerste SOVON broedvogelinventarisatie in 1975-1976. Daar ontdekten we enerzijds zeldzame heideanjers en weideklokjes in een weggetjesberm direct ten westen van de Achelse Kluis en anderzijds maakten we mee hoe een van de laatste grootschalige ruilverkavelingen de Strijper Aa bij Soerendonk en omgeving van zijn onschuld werd beroofd. De broedende klapeksters uit de jaren dertig (36.6) waren toen al ruimschoots van de Groote heide verdwenen, maar duinpiepers en zwarte sterns zaten er nog wel. Evenals nachtzwaluwen en een heel enkele grauwe klauwier, twee vogelsoorten die er nu (ik vermoed ondersteund door het opwarmende klimaat) in grotere aantallen zitten als toen. Overigens waren de meeste bewaarde blauwgraslanden in de omgeving allang als kleine reservaatjes relatief veilig gesteld, maar toch vonden we er ook zelf een die we als afdeling onder aanvoering van Marco Spooren rond 1978 uitvoerig bestudeerden en die we het VLO-weitje noemden (vleugeltjesbloem-orchideeën weitje) die er nu bijna een halve eeuw later aan de westkant van de Collse zegge nog steeds best goed bijligt (36.7 en foto 5) en de liggende vleugeltjesbloem en orchideeën er nog steeds voorkomen.

En waar is het in Nederland mis gegaan? Blauwgraslanden waren door NJN'er Wim van der Kloot in 1939 in kaart gebracht en in 1951 werd geconstateerd dat bijna alles hiervan van de kaart was verdwenen (36.8). Gebieden zijn ontgonnen zoals het Moergestels broek in 1931, waardoor tegelijkertijd de subtiele nuances in de matige voedselrijkdom van de Oisterwijkse vennen voor een groot deel verdwenen, De Beer, waar tot 1961 veel jeugdbonders op excursie gingen (36.9), werd opgeofferd voor de Europoort haven van Rotterdam en het Twiske even boven Amsterdam, werd in de jaren zestig ontgonnen. En toen 1954 een nieuwe ruilverkavelingswet van kracht was gegaan (waarschijnlijk aangezwengeld door het 'nooit meer hongerwinter' idee) ging de hogere efficiëntie van de landbouw ten koste van de waarde van de natuur. Waren het eerst de kemphaantjes die zich tot aan de dag van vandaag nauwelijks kunnen handhaven, wie had er verwacht dat de roep van de kievit, tot voor kort het standaardgegeven van bijna elk weidegebied, zo gruwelijk snel zou verstommen. 

Zeker de subtiele en fragiele natuur heeft dus zeer zwaar te lijden in Nederland, toch zijn we ook verblijd met enkele soorten die door in Europa afgenomen jachtactiviteiten wat zijn toegenomen, zoals de kraanvogels die zijn gaan broeden in het Fochteloërveen en broedende zee- en visarenden en zwervende wolven. Ook blijken uitgezette raven, bevers en otters zich te kunnen handhaven (36.10). Deze robuuste kant is dan toch weer deels een meevaller van de natuur hier en nu. De opwarming van de aarde is enerzijds een zeer grote zorg, maar anderzijds hebben entomologen het er maar druk mee alle nieuwkomers goed te administreren, ondanks dat de aantallen van insecten ontegenzeglijk gekelderd zijn. En dan is er nog de ‘nieuwe natuur’ die ons soms blij maakt met een broedende lachstern nu op de Marker wadden en dat verschralingsprojecten, die toch wel weer plaatselijk leefgebied vergroting kunnen betekenen voor aardige planten als de klokjesgentiaan. Maar uit het feit dat het gentiaanblauwtje daarvan niet profiteert mag blijken dat een aantal zaken niet zomaar 1-2-3 terug te draaien zijn. De verarming is een feit en de jeugdbonders helpen mee het een en ander in kaart te brengen: in hun jeugdbondstijd of daarna. Kortom: laten we strijden voor een constructieve natuurbehoud. En ik weiger me verbitterd te gaan voelen, maar ik zie ook wel in, dat daar eigenlijk heel veel reden voor zou kunnen zijn (36.11).

Opmerkingen 

36.1 De excursie was enigszins bezorgd over dat de jonge wezel nu naar 'mens' zou ruiken. Ouwe sok Maurice La Haye van de Zoogdiervereniging liet op die vraag weten: 'Fraaie waarneming en de ideale mogelijkheid om een (jonge) wezel eens goed te bekijken. Ik ben niet bang dat mama-wezel het jong zal verstoten, maar het lijkt mij niet bevorderlijk dat het diertje alleen was. Kortom, ik schat de overlevingskans vrij laag in (maar dat is nou eenmaal het lot van een wezel), maar meer vanwege het überhaupt kwijt zijn van de moeder en niet zozeer door het oppakken'.

36.2 Zie voor de plaggenhutten in Zuidoost Drenthe in die tijd https://www.youtube.com/watch?v=rQpTYq-7ufQ 

36.3 Toen ik in 1991 voor Staatsbosbeheer in het Bargerveen werkte, kwam ik een oudere man tegen die daar als kind in een plaggenhut had gewoond en mij dit verhaal over de zonnedauw vertelde.

36.4 Jan Slof, 1940. Verslag van de 4e excursie der N.B.V. naar Winterswijk en omgeving op 21 —26 Aug. 1939. Nederlandsch kruidkundig archief. Serie 3, vol 50 (1940) nr. 1.

36.5 https://library.wur.nl/WebQuery/hydrotheek/2014436 

36.6  Luuk Tinbergen, 1931. Vogelverslag van de N.J.N.-Kampen bij Valkenswaard 27 Juli-17 Augustus. Amoeba 10(9): 155.

36.7 Het VLO-weitje werd in 2009 ook door de KNNV bezocht https://www.knnv.nl/knnv-moeraswerkgroep/vloweitje (zie ook foto 5).

36.8 Frank Saris 2018. Victor Westhoff (1916-2001) Natuurbescherming als toevluchtsoord,  p. 84 zie https://repository.ubn.ru.nl/bitstream/handle/2066/190330/190330.pdf?sequence=1 

36.9 Frans Beekman - Met de NJN naar De Beer zie  https://www.inzichten.nl/overnatuurmonumentdebeer/verhalen/verhalen_beekman.html 

36.10 Ook ouwe sokken hebben overigens bijgedragen tot het uitzetten van soorten buiten hun leefgebied.  Dit was het geval toen Gertie Jansen en haar man rond 1985 in de Franse Pyreneeën op een mini-golfbaan wat vroedmeesterpadden in een heel klein putje vonden (klein beetje water, de rest was droog), deze namen ze mee naar Utrecht. In een weckfles bleken de eitjes te beschimmelden: ze besloten de padjes een laatste zomer wat vrijheid te gunnen in hun tuin. Maar ze deden het goed, er kwamen er elk jaar meer en ze hebben ze toen in de tuin van het Botlab bij de Nieuwe gracht neergezet en aan een jongen (die ze via haar zoon kende) gegeven die op de Burgemeester Reigerstraat 22 woonde: dus zo zijn ze in Utrecht op drie punten uitgezet. Recenter hebben wat ouwe sokken in hun tuin in Drenthe boomkikkers uitgezet.

36.11 Koos Biesmeijer wetenschappelijk directeur van Naturalis noemt Nederland in de Volkskrant van 16 september 2020 ‘wereldkampioen biotoopverlies’ (in: Ben van Raaij, 2020. Roer moet om voor behoud dier en mens. Volkskrant 16 september 2020, p. 21).


Foto 2. 1929 Niko en Luuk Tinbergen op de Beer (foto Frans Kooijmans)


Foto 3. 1938 zoka Kotten: Wim Margadant helpt mee elke vierkante meter op planten (en mossen) rond de kampplaats te onderzoeken (fotoalbum Victor Westhoff).

Foto 4. Het Fochteloërveen in 2007: wie had gedacht dat er ooit weer kraanvogels in Nederland zouden gaan broeden? Daarachter riepen en vlogen ze toen.


Foto 5. Het VLO weitje in 2019 aan de westkant van de Collse zegge, uitgebreid onderzocht door de NJN Eindhoven in 1978, geen natuurreservaat maar het heeft de tand des tijds redelijk goed doorstaan (zie ook 36.7). 

zaterdag 5 september 2020

35. Horizontaal of verticaal?

 

Foto 1: Stencil uit 1949: de districtsgrenzen, en in staafjes het aantal leden per district en hoeveel daarvan als zoka deelnemer in 1949 meegingen (bijvoorbeeld Amsterdam met 465 leden, waarvan 162 op zoka gingen)(35.1).

Lang, lang geleden, het was in de tijd dat de eerste voorzitter Feiko Koster voor het laatst een Congres voorzat in juli/augustus 1922 in Ommen, werd er besloten dat er teveel afstand lag tussen de schoolafdelingen en de Centrale Commissie. Het was te onhandig om hulp te bieden aan de Nederlandsche Phaenologische Vereeniging, dus besloten ze dat er een tussenlaag moest komen: districten. Zo werden er in 1922 vier districten opgericht, aangeduid met romeinse cijfers: I (Groningen, Leeuwarden), II (Zwolle, Zutphen), III (Amsterdam, Haarlem) en IV (Den Haag, Delft, Gouda). Maar al spoedig kwam Utrecht erbij als vijfde district en voor de logica werd dat district III en schoven de laatste twee een cijfer op: III werd IV en IV werd V (35.2). De volgorde van de nummering werd bepaald door de ligging: de nummers liepen van noordoost naar zuidwest. Daarnaast werd elk district geleid door iemand van de Centrale Commissie en zo werd bijvoorbeeld Maus Lieftinck behalve redacteur van de Amoeba in 1922 ook DL, districtsleider, van het district III (wat later IV zou gaan geheten).

Halverwege de jaren dertig kregen de districten ook hun eigen districtsblaadjes: D I met De Kale Jonker, D III met De Meerkol en D IV met De Inktzwam (35.3). Daarin had D III voorop gelopen: het was Victor Westhoff die De Meerkol in 1935 had opgericht (35.4) en Amsterdam had zoveel afdelingen (in 1941 waren er 12 afdelingen) dat er besloten werd dat dat een eigen district moest gaan vormen. In 1951 was het aantal districten gestaag gegroeid tot elf, waarbij de nummering de logica van het begin had verloren: Friesland (met Vlieland en Terschelling!) was afgesplitst van Groningen en heette D X en Noord-Brabant en Limburg was D XI. En dat allemaal ‘voor het uitvoeren van het bondsdoel’ (35.5).

Uit een enquête in 1969 bleek, zoals te verwachten, dat jongere leden vooral actief waren in afdelingen, iets oudere in de districten en werkgroepen en de oudste op bondsniveau. Op 1 januari 1970 werd de logica in de nummering weer min of meer hersteld en werd Friesland ‘Dee I’ (35.6) en werd bijvoorbeeld Noord-Brabant Dee XII, Limburg (met afdeling Maastricht) Dee XIII en Zeeland Dee XIV. Sommigen zouden een tiental jaar later nog altijd dwepen hun oude districtsnummers, met name een deel de NJN’ers ‘van boven het kanaal’ zouden luidruchtig ‘dee vaif hoog’ blijven roepen. 

In 1962 waren er allerlei discussies opgang gekomen over samenwerking tussen de CJN, KJN en NJN, met oa. resoluties op de NJN congressen van 1962 en 1964. In 1965 was er zelfs een combi-kamp met de drie bonden en bestonden er al combi-leden. Maar fusie: ho maar, alhoewel er wel wel werd combi-vergaderd in 1968 en in oktober 1969 de eerste TriAS (Triëntalis/Amoeba/Scharrelaar, van de CJN, NJN en KJN) uitkwam. Moest de samenwerking dan van onderaf gaan komen (35.7)? De kop van deze trend werd waarschijnlijk afgebeten in het Gooi waar vanaf 1967/1968 enkele jaren samen werd gewerkt tussen alle drie de bonden met in totaal 150 leden, dat zich zelf 'Dee 6' noemde. Doordat sommigen vonden dat de CJN dit Gooi-Dé domineerde gingen de Gooise NJN'ers eind 1974 samenwerking met Dee 5 (Utrecht) zoeken, waar ze zich een jaar later bij voegden. Na het einde van deze samenwerking werd het Gooidee dus rond 1976/1977 opgeheven (35.8). Rond 1970 hadden enkele districten er ook voor gekozen om combi te gaan met de ACJN en zo kwamen er drie officiële ‘regio’s’ waar beide bonden samenwerkten in het zuidwesten van het land: R9 (Den Haag en omgeving), R10 (Rotterdam en omgeving) en R14 (Zeeland en west-Brabant in 1972; 35.9). 

De oudste aanwijzing van een verschuiving van nummers naar windrichtingen voor de districten lijkt mij ‘Dee Oost’ dat in ieder geval al in 1992 z’n eigen districtsblad had (de Deepress). Dit districtsblad zat toen in z’n vijfde jaargang en zal dus in 1987 zijn begonnen. Later kwamen er in ieder geval ‘Dee midden’ en na een tijdje Dee 1012 te hebben geheten werden Noord-Brabant en Limburg 'Dee zuid'.

Naast deze verticale ordening van de NJN in bondslagen, was er sinds 1937 ook een horizontale ordening bijgekomen: na een op 8 juni 1937 rondgestuurd stencil geschreven door Han Alta en Victor Westhoff werd op zaterdag 26 juni 1937 in ‘De Karrekiet’ in Kortenhoef de Sjocgroep opgericht, de eerste werkgroep van de NJN. Begin 1938 verscheen gelijk het eerste nummer van het ‘Kruipnieuws’, hun lijfblad (35.10). In 1938 werden het ‘Vogelwaarnemingscentrum’ en de ‘Strandgroep’ opgericht. De eerste ging in 1941 alweer ter ziele. In 1942 hielpen twee op dat moment net oud-NJN leden Peter Creutzberg en Bernard Immerzeel van de Strandgroep (de eerste was zeker, de tweede aannemelijkerwijs uit solidariteit met de Joodse leden, die van de bezetter vanaf 25 oktober 1941 officieel geen NJN lid meer mochten zijn, uit de NJN getreden) mee in Den Haag een plek met strandvondsten in te richten. Dit was op zolder van het het Schoolmuseum (het tegenwoordige Museon) in Den Haag en het functioneerde als 'het Filiaal', een filiaal van het RMNH (het tegenwoordige Naturalis) in Leiden. Op 13 maart 1943 gaf de groep zichzelf de officiële naam ‘Comité ter Bestudering van de Nederlandse Mariene Fauna’ (35.11). 

Op het congres van 1945 werd besloten meerdere contactgroepen op te richten. Dat resulteerde er bijvoorbeeld in dat door Jan Lucas en Kees Lems een Insectencommissie (later de IWG, Insecten Werkgroep) werd opgericht en verder kwam er een Hybiecommissie en een Vogelcommissie. Van de VWG zijn onlangs allerlei belangrijke archiefstukken door Ruud Vlek naar het IISG gebracht (35.12) en ook de VWG werd een plek met z'n eigen taal (35.13). De NJN was een broedplek voor belangrijke vogelaars; een overzicht daarvan uit de vorige eeuw heeft ouwe sok Karel Voous in 1994 vastgelegd en daaruit bleek dat de van de na 1900 overleden en voor 1950 geboren 300 geselecteerde vogelaars, een derde deel lid van de NJN was geweest. Wellicht een tikkeltje bevooroordeeld schrijft hij op dat dit voor vele vogelaars belangrijke mijlpalen in hun leven waren geweest: 1) het lezen van de werken van Heimans en Thijsse 2) lid worden van de NJN of overeenkomstige jeugdbonden en 3) kennismaking met de broers Niko en Lukas Tinbergen (35.14). Verder zijn hier natuurlijk veel werkgroepen (die kwamen en gingen) niet genoemd: de Kréwégé, De Natuurbeschermingscommissie (later de NBK), de geologische werkgroep, etc. En sommige werkgroepen zijn verschillende keren bijna opgericht, zoals de mossenwerkgroep driemaal, maar dat gebeurde uiteindelijk nooit (35.15). Op dit moment is er wel een combi-wolkenwerkgroep en er zijn er nog zeven andere werkgroepen binnen de NJN actief (35.16). 

Uiteindelijke vindt er binnen de NJN de laatste decennia een duidelijke verschuiving plaats: eerst werden de districten en toen de afdelingen minder belangrijk (de verticale structuur werd steeds meer losgelaten) en het zijn nu juist de werkgroepen die meer de excursies en de kampen door het jaar heen bepalen. Kortom volgens de definitie van Marga Coesèl (35.17): de NJN gaat horizontaal!

Opmerkingen

35.1 Archief van Fred Hoekzema.

35.2 Marga Coesèl, 1997, p. 29.

35.3 Marga Coesèl, 1997, p. 52.

35.4 Dit vertelde Nettie Westhoff - de Joncheere me.

35.5  Marga Coesèl, 1997, p. 119.

35.6 Albert Kiers via de ouewe sokken Facebook pagina.

35.7 Allemaal uit Marga Coesèl, 1997, p. 126-127.

35.8 Mail van Erik Lam uit september 2020, met info uit het artikel: Erik Lam, 1984. Een episode uit het roemruchte verleden van het gooidee. Debakel 10(2): 11-13.

35.9 Zeer uitgebreide mail van Gerard Heerenbout uit januari 2020.

35.10 Archief van Fred Hoekzema. 

35.11 De SWG & het Filiaal: zie L.B. Holthuis, 1995 1820 - 1958, Rijksmuseum van Natuurlijke Historie. Uitgave Nationaal Natuurhistorisch Museum 1995, (als pdf op internet). 

35.12 Mail van Ruud Vlek: 
dat er in 2020 een archiefdoos van de Vogelwerkgroep van de NJN (een waardevolle doos met vogelwaarnemingen en -rapportages) door Ruud Vlek bij het IISG afgegeven (mail 11 juni 2020). Er was volgens hun archief toen al aanwezig: stukken van leden van de NJN-sectie. 1956-1959, stukken van de voorzitter. 1960-1966, kasboek van een kamp op Vlieland. 1959, stukken van de wetenschappelijk medewerker. 1965-1966 en stukken van de redacteur. 1971.

35.13. Zie foto 8 hieronder, uit: Onze Taal. Jaargang 62(1993) : https://www.dbnl.org/tekst/_taa014199301_01/_taa014199301_01_0083.php

 35.14 Zie pagina 15 in: Karel Voous, 1994. In de ban van vogels. Geschiedenis van de beoefening van de ornithologie in Nederland in de twintigste eeuw, tevens Ornithologisch Biografisch Woordenboek van Nederland. Uitgever: Scheffers 1-605.

35.15 Zie https://www.njn.nl/wp-content/uploads/2015/02/Geschiedenis-van-de-Sjoc.pdf

35.16 Zie https://www.njn.nl/werkgroepen/ en overigens heeft ook een deel van de ouwe sokken zich in werkgroepen georganiseerd  bijvoorbeeld onder de hoede van de KNNV (https://www.knnv.nl/werkgroepen) of de Werkgroep Pleistocene Zoogdieren (https://pleistocenemammals.com/ )

35.16 Marga Coesèl, 1997, p. 58. 

Foto 2. Oproep van 8 maart 1938 (zeven maanden na de oproep voor de sjocgroep) voor zij die belangstelling hebben voor onderwerpen betrekking hebbende op het strand. Strookje opsturen naar Fred Hoekzema (uit zijn archief).


Foto 3: De districten van 1979, waarbij ´Dee VI´ inderdaad al van de kaart is verdwenen en Dee XIII natuurlijk onder PKS-zuid viel (de propkadersec als assistent van het HB), maar dat blijkbaar niet goed in de lay-out paste. Uit het Congresboekje van 1979 p. 69.

Foto 3: De NJN afdelingen met ledenaantallen in 1975, 1977 en 1979, waarbij er voor de combi-afdelingen een $ staat (Peirolee namelijk Peize Roden en Leek, Meppel, Uithoorn, DeRij als Delft/Rijswijk, Dordrecht, Rotterdam, Nijmegen, Grubbevorst en Walcheren). Uit het Congresboekje van 1979 p. 70-71.

Foto 4. Op het Congres even met je district op de foto was in ieder geval een trend zo tussen 1975 en 1985. Hier Dee XII op het Congres van 1976 in Zutphen. Linksboven: Ben van Noordwijk jr. die de films van zijn vader (Ben van Noordwijk sr.) heeft gedigitaliseerd, waarover een van de volgende weken meer.



Foto 5: 1977 D1 op de foto in Tiel (foto van de ouwe sokken pagina op Facebook).


Foto 6: Rond 1978, Dee V (inclusief het Gooi) op de foto (foto van de ouwe sokken pagina op Facebook).


Foto 7: In 1986 D7 op de foto in Zutphen (foto van de ouwe sokken pagina op Facebook).

Foto 8: Ook de VWG'ers hadden zo hun eigen taal. Uit: René Appel en Julia de Groot, 1993 (zie 35.12). 

zaterdag 29 augustus 2020

34. Jules Philippona

Foto 1: Afdeling Haarlem op excursie met Jules Philippona als excursieleider in 1946 naar Spaarndam; Jules is die lange NJN'er rechtsachter (34.1). 

Vele NJN’ers/sters begonnen hun interesse in de natuur met vogels en dat was ook het geval bij Jules Philippona, geboren in 1924. Zijn moeder raadde hem aan op zomerkamp te gaan en dat leek hem wel wat. Dus ging hij in juli 1939 naar het zoka Kotten II. Al op de boot vanaf Amsterdam over het IJsselmeer zou hij twee Amsterdamse vrienden leren kennen: Ben Lopes Cardozo en Martin van Rooijen; die twee maatjes maakten met elkaar veel grapjes, het was geestig die twee samen te zien. Veel later zou hij horen dat Martin in Mauthausen vermoord was door de Duitsers en hij zeer verbaasd van mij te horen dat Ben de oorlog ondergedoken overleefd had en pas begin van 2020 overleden was. Hij vond de NJN op het zoka even vreemd, maar de sfeer beviel hem goed. Hij hoorde daar voor het eerst de wielewaal en de boomkruiper. Zo kreeg hij daar het vogelkijk virus wat te pakken en hield niet meer van voetbal (en zou hij nadien ook niet meer af en toe met klasgenoten en een docent naar Amsterdam fietsen om in het Olympisch stadion voetbal te gaan kijken). Hij had die winter getwijfeld of hij wel lid zou blijven en uiteindelijk zou het tot 10 februari 1940 duren voor hij ook daadwerkelijk actief met NJN Haarlem mee zou gaan. Hij was er daarna bijvoorbeeld bij toen Jac. P. Thijsse op dinsdagavond 29 mei 1940, bereid was geweest om een NJN-excursie te leiden in Thijsse´s Hof in Bloemendaal. Dit was kort na de inval van de Duitsers en ze waren als afdeling blij dat hij als een enthousiaste oudere, in die moeilijke onzekere tijden hun een hart onder de riem wilde steken (34.2). Overigens herinnerde Jules zich zelf eigenlijk nog nauwelijks iets van deze bijzondere avondexcursie.

Met grote belangstelling zou hij zich in die eerste oorlogsjaren gaan verdiepen in de vogels. In het begin zonder kijker, later met een zeer eenvoudig toneelkijkertje die nauwelijks vergrote en pas in 1942 kreeg hij zijn eerste echte kijker (34.3). Hij kan zich uit die tijd bijvoorbeeld nog herinneren dat hij een griel zag in de duinen bij Bergen, op een van de weinige plekken waar in de oorlog die soort nog in Nederland broedde. Zijn eerste onderzoekje was naar de glanskop die rond Haarlem vrij algemeen was, een soort die hem toen erg boeide. Toen hij afdelingsvoorzitter was stelde hij voor het afdelingsblad ‘de glanskop’ te noemen en ook de naam van afdeling Haarlem daarin te veranderen; en dat gebeurde (34.4). Het onderzoek deed hij met Gerrit Bos en ze hebben het gepubliceerd in 1948 (mogelijk al eerder in de Marel). Het leuke was dat de glanskop zelf geen nestholen maakt en de matkop wel (34.5). Sommige afdelingsgenoten waren volgens hem wel lid van de VWG van de NJN, maar hij voelde zich meer thuis in de afdeling en het district V (34.6), alhoewel hij ook wel naar zoka’s en congressen ging (34.7). 

Zeetrektellen deden ze toen nog niet (in de tweede helft van de oorlog was het ook verboden op het strand te komen), maar langstrekkende rotganzen of overtrekkende grauwe ganzen kon hij zich wel herinneren. De eerste keer dat hij echt zittende grauwe ganzen zou zien was pas toen hij met Theo Mulder in 1948 over de Afsluitdijk gaan fietsen en bij het Friese Galamadammen-Zuid, een groep van 150 op de grond zag zitten. Eind jaren vijftig had hij mooie afbeeldingen met geschilderde ganzen gezien gemaakt door de Engelsman Peter Scott. Daarvan was hij zo onder de indruk dat dat het moment was dat hij besloot zich vanaf 1958 op het tellen en onderzoeken van ganzen te gaan richten. Inmiddels had hij jaren als lagere schoolleraar gewerkt, maar omdat hij meer wilde verdienen besloot hij middelbare school docent te worden. Hij had geen bètapakket gehad op de HBS, dus kon hij niet kiezen voor biologie, maar hij koos toen voor aardrijkskunde. Naast die schoolbaan heeft hij decennia lang onderzoek gedaan naar ganzen en publiceerde daar regelmatig over.

Nu is hij 96 jaar en hij baalt er toch wel van dat hij op dit moment zo weinig mobiel is. Tot vorig jaar ging het fietsen en alleen op pad gaan nog goed. Soms neemt z’n dochter Sietske hem nu wel mee de natuur in, maar het horen of zien van de drie vogelsoorten die hij zich ten doel had gesteld dit jaar te zien (nachtegaal, grutto en veldleeuwerik ) was tot op het moment van het interview (op 4 augustus 2020) nog niet gelukt. Wat hij het meeste mist aan de natuur van vroeger? Dat zijn toch wel de weidevogels zoals de kemphaan die bijvoorbeeld onder Makkum vroeger toch vrij algemeen was. Spijt? Ja hij had wel een beetje spijt gehad dat hij in z’n jeugdbondstijd niet meer over planten had geleerd. 

Op z’n werkkamer bekeek ik met zijn dochter een aantal van zijn eerste excursieboekjes, wat natuurlijk erg leuk was om in te lezen. Van alle ouwe sokken die ik afgelopen jaren gesproken en gezien heb, herkende ik me het meeste in Jules. Ook ik was namelijk zelf ooit als vogelaar begonnen en had dergelijke opschrijfboekjes en ook ik was (ruim dertig jaar later dan hij) deels hetzelfde pad gegaan, maar dan bij afdeling Eindhoven. Andere tijden, maar een aantal van dezelfde mechanismen. En erg leuk was dat ik nu erg gezellig met Jules kon praten: een naam die ik in mijn vogelaarstijd natuurlijk uit de boeken kende (34.8) en iemand die naast het docentschap probeerde de wereld te onderzoeken en vast te leggen, net als ik nu. Verwante zielen.

Opmerkingen

34.1 Foto gemaakt door Herman Leijs, gevonden via het plaatsen ervan door zijn dochter Nienke Leijs op Facebook in 2015. Sommige namen van de aanwezigen: links Herman Leijs, .......Groeneveld, Ton Souwer, Jan Hamstra, Rob Smit, Juul Philippona, Geert Hovenkamp, Piet Peters en geheel rechts Mieke Preusterink (namen ook via Carlina Smit). Mieke deed niet onder voor de heren NJN'ers: de blote benen en sokjes in januari zijn toch wel verbazend. Mieke is net als Jules ook voorzitter van de afdeling Haarlem geweest.

34.2 Jac. P. Thijsse & Menno Luikinga 1965. Een avond met Jac. P. Thijsse in de Hof. Het vogeljaar, 13(2): p. 43-47  http://natuurtijdschriften.nl/download?type=document&docid=542218

34.3 Er was toen één lid in de afdeling Haarlem geweest (Hans Veltkamp) die een echte 8x30 kijker had (een Leitz of een Zeiss), maar dat was duur en toen een grote uitzondering.

34.4 De afdeling had daarvoor de naam ‘Evonymus’.

34.5. De matkop kwam rond Haarlem nauwelijks voor, beide mezensoorten konden wel rond Havelte en op de Veluwe naast elkaar voorkomen wat hij op zoka’s en paka’s en pika’s had gezien.

34.6 Alhoewel Leiden niet ver van Haarlem lag had hij daar zelden contact mee gehad omdat het een ander district lag.

34.7 Hij was geweest naar de congressen van 1941 in Voorthuizen en 1942 in Wormerveer. Op de laatste plek was het eten inderdaad erg slecht geweest kon hij zich herinneren. Verder was hij daar met een tekening in de Pestvogel terechtgekomen omdat hij ’s nachts in de Zaan was gaan plassen, daar een verkeerde stap had gemaakt en ‘als drenkeling’ in het water was beland. Volksdansen vond hij wel leuk, maar hij was er niet goed in. De vrolijke muziek daarbij vond hij ook leuk (ook toen hij in Velp op een reünie daarbij had gestaan, had de muziek hem goed gedaan). In 1966 gingen ze met het gezin wel als kampouders mee op zoka in Havelte.

34.8. Erg bijzonder is hoe hij in 1972, precies het jaar dat ik met vogels kijken begon, een zéér lezenswaardige en ook voor nu relevante terugblik schreef over hoe hij 50 jaar geleden tegen de achteruitgang van vogels toen aankeek: Jules Philippona 1972. Geleidelijke verarming. De vogelaar, het milieu en de toekomst. In: Het vogeljaar 20 (1) p. 12-14. http://natuurtijdschriften.nl/download?type=document&docid=542580

Foto 2: Vogeldagboek van Jules: het begin van zijn aantekeningen van 7-15 augustus 1941 op Havelte III.

Foto 3: Met als grootste bijzonderheid een bezoek aan Heijkersmilde (nu: Hijkersmilde) op 11 augustus 1941 (op vijf kwartier fietsen ten noorden van Havelte), om daar broedende lachsterns te gaan zien.

Foto 4; gemaakt als kampvader in 1966: mee op excursie naar Dwingelose heide op wederom een NJN zoka bij Havelte (foto gemaakt door Jules Philippona).


Foto 4: Jules Philippona nu, thuis in Warnsveld, foto gemaakt op 4 augustus 2020, tijdens het interview wat ik met hem hield.

zaterdag 22 augustus 2020

33. Allemaal jeugdbonders

Foto 1: Jacques de Smidt als eerste voorzitter van de IYF, in Salzburg hun eerste bijeenkomst na de oprichting toesprekend (foto Eberhard Stüber; zie 33.6).

Vanaf 1943 zou de NJN diverse zuster jeugdbonden gaan krijgen binnen Noord- en midden-Europa. De afsplitsing van de CJN in 1946 in Balkbrug (met een aanloop al met de oprichting van de CMJN door de toen ongeveer 18-jarige Douwe Rijpkema in 1943 in Meppel; 33.1) en het zelfstandig worden van de BJN (al begonnen in 1939, maar uiteindelijk in 1959 opgericht) heb ik al eerder besproken (33.2). Tijdens de oorlog werd er in Finland (geheel los van de NJN) Luonto Liitto, een jeugdvereniging voor natuur opgericht (33.3). Maar het was ouwe sok Jaap de Jong die in Zweden hielp de Fältbiologerna in Stockholm in december 1947 te starten (33.4). Ook was de NJN bij de oprichting in 1950 van de DJN in Duitsland betrokken; misschien zou dit deels gezien kunnen worden als een wederopstanding van een stukje van de Wanderfugel die door de Hitlerjugend in 1933 (33.5) waren opgeslokt. Zelfs de volstrekt onafhankelijke start van de KJN op 24 september 1961 (33.6), kende misschien een heel klein NJN steuntje in de rug: de afdeling Rotterdam op het RK Gymnasium daar werd ondersteund door de toenmalige biologieleraar en NJN ouwe sok Jan Lucas (33.7). En natuurlijk ontstonden er ook andere Europese jongeren natuurclubs gewoon zonder de NJN. Het idealisme van na de Eerste Wereldoorlog zou wel eens anders kunnen zijn geweest dan die van na de Tweede Wereldoorlog, maar de jeugd ging zich toch ook opnieuw organiseren. Was het niet een mooi ideaal om te proberen al die clubs met elkaar te laten samenwerken? 

Direct na de oorlog kwam er een idee om op natuurbeschermingsgebied internationaal te gaan samenwerken. Heel uniek was dat in 1948 Hans Goudswaard namens de NJN een van de ondertekenaars was van de oprichtingsakte van de IUCN (International Union for the Protection of Nature, die tot 1956 UIPN heette, de Union Internationale pour la Protection de la Nature; 33.8). Maar ook de jeugd zou moeten gaan samenwerken had Jacques de Smidt als NJN’er begin jaren vijftig bedacht. Hierbij zijn verhaal aangevuld met de IYF geschiedenis (33.9). Hij zat die jaren op de HBS in Utrecht en was toen een fanatiek vogelaar. Een HB'er Piet Heiligers had een uitnodiging gehad van de DJN om in Schleeswijk aan de kust in het najaar een kamp bij te wonen en Jacques had geregeld dat hij mee mocht: hij wilde wel heel graag zien hoe de vogels die vanuit de zuidpunt van Zweden vertrokken daar aan land kwamen. Op dat kamp kreeg hij met Peter Jacobi van de DJN een vriendschap voor het leven en samen maakten ze meerdere reizen door Europa om vogels te kijken en te genieten. Toen Jacques vervangende dienst moest doen bofte hij dat hij in Nederland vaak op stap ging met Sjoerd Braaksma van het SBB kantoor aan het einde van de Maliebaan in Utrecht en hij was de eerste die op dat kantoor z'n vervangende dienst mocht komen doen. 

Doordat Jacques internationale samenwerking interessant vond mocht hij mee naar een IUCN vergadering die in Athene was waar wat medewerkers van SBB ook heengingen. Dat deed hij liftend naar Venetië, waarna hij met de boot naar Athene ging. In de wandelgangen sprak hij mensen van de IUCN die wel een luisterend oor hadden naar zijn idee om de bestaande jongere natuurorganisaties met elkaar te laten samenwerken (oa. de DJN, de BJN, de Zweedse Fältbiologerna, de Finste Luonto Liitto en de NJN). Toen kreeg een IUCN medewerker er zelfs een taak bij: ondersteunende hulp te bieden om dat idee vorm te geven, waarbij Jacques alle adressen had en die medewerker ze aanschreef met over het idee van samenwerking. Daar werd positief op gereageerd. In 1954 was hij de bovo van de NJN geworden en hij kon nog meer van zijn ideeën uitwerken. In 1955 startte door de DJN georganiseerde internationale zomerkampen op de Lüneburger Heide (welke tot 1969 jaarlijks georganiseerd zouden worden). Toen in augustus 1956 op een IUCN bijeenkomst in Salzburg de potentiële samenwerkende jeugdbonden bijeen kwamen werd de IYF (International Youth Federation for Environmental Studies and Conservation) daadwerkelijk opgericht: het was gelukt en Jacques zijn droom was werkelijkheid geworden. Dat was het leuke van de NJN, je kon als begin twintiger zoveel rare ideeën hebben die je wilde, doordat er nooit mensen ouder dan 23 bij waren, werd je nooit teruggefloten en soms die ideeën ook daadwerkelijk realiseren. Jacques stond genomineerd om in 1956 de eerste voorzitter van de IYF te worden, maar er was één probleem: in 1956 was hij al geen jeugdbonder meer. Dat werd opgelost door bij de KNNV een jongerengroep op te richten (wat door Hans Goudswaard gebeurde), met als maximum leeftijdsgrens 27 jaar (waar hij lid van werd). Zodoende kon Jacques de eerste IYF voorzitter worden en waren er meerdere jaren uit Nederland drie jongerennatuurorganisaties bij de IYF betrokken: de jongerengroep van de KNNV, de CJN en de NJN.

Het geworstel op hoofdbestuur niveau tussen de verschillende combinaties van jeugdbonden binnen Nederland staat elders min of meer opgesomd (33.10). Daarnaast heeft er al één fusie plaatsgevonden: de KJN had in 1974 besloten op hun congres dat de bond te klein was en hoogstwaarschijnlijk moest fuseren. Volgens sommigen was de goede financiële situatie van de CJN de reden dat ze in oktober 1975 koos voor de CJN (33.6). Maar toenmalig KJN'er Alfons Vaessen zei me dat de reden volgens hem was dat de toenmalige voorzitster van de CJN zich diplomatieker opstelde en de toenmalige bovo van de NJN Dick Verkaar iets te bot was. 

Er zijn natuurlijk in de loop der jaren aardig wat families die een traditie binnen een van beide huidige bonden hebben. Maar het is ook aardig dat daar niet te star over wordt gedaan. De kleindochter Sommer van NJN ouwe sok Jan Hulscher is op dit moment fanatiek JNM'ster. Daarentegen is op de bij de NJN laatst gelanceerde youtube film over Bram, zijn moeder en beide ooms  waren vroeger fanatiek lid van de ACJN (33.11). 

Ook lijkt het me leuk hier nog even kort ook op het persoonlijke vlak te horen waardoor sommige jeugdbonders combilid werden of van de ene naar de bond overstapten. Sommige zoals Kees Mostert kozen er uit praktische redenen voor om begin jaren tachtig na hun NJN ouwe sok zijn, nog twee jaar van de ACJN lid te worden. Dan waren er twee vrienden van mij eind jaren zeventig van de NJN (deels) naar de ACJN overstapten: de vader van de één vond de NJN te links (met oa. het meelopen met demonstraties tegen kruisraketten) en er werd in Valkenswaard toen net in 1977 een ACJN afdeling opgericht, dat was ook makkelijker. De ander werd combilid en vond de NJN toen teveel op tradities gericht (teveel volksdansen en te weinig/geen alcohol drinken) ook zaten er toen wat leuke meisjes bij de ACJN in Eindhoven (waarvan hij met één inderdaad een relatie kreeg). Een vroeger combilid en lid van het dagelijks Bestuur van de JNM rond 2005 zei me vorig jaar dat JNM'ers het leuk vinden om zelf nieuwe tradities te maken en dat hij dat leuker vond dan altijd maar te doen zoals altijd. Anderzijds kan het bij de JNM gebeuren dat leden zich klem zuipen, dat zal volgens hem bij de NJN niet zo snel gebeuren. Maar doordat de NJN wat groter was in zijn tijd, vond hij het toen leuk dat als er een specialist werd uitgenodigd, daar dan heen te gaan. 

Tot slot ken ik overigens een NJN'er met progressieve ideeën over eventuele fusie. Toen hij echter eenmaal bovo was geworden was het de traditie van tientallen jaren van het bestaan van de NJN die hem op z'n schouders drukte zodat hij er dat jaar niets mee heeft gedaan. Moet dat dan? Het is ook een waanzinnig idee, zo zei hij, dat als je zo jong bent een radertje te kunnen zijn in een club die zo oud is.


Opmerkingen

33.1 In 1937 werd de NJN afdeling Meppel net opgericht toen Hendrikus van der Laan (uit 1925) net 12 jaar was. In een interview zegt hij later over afsplitsing van enkele christelijke leden die de CJN oprichten: 'NJN-leden van christelijke huize gingen voor de oorlog op zondag naar de kerk, terwijl andere leden op excursie gingen.Dat was helemaal geen probleem. In en na de oorlog werd dat moeilijker. Douwe Rijpkema richtte in 1943 de CMJN op, de Christelijke Meppeler Jeugdclub voor Natuurstudie. In 1946 werd in Balkbrug de CJN, de landelijke Christelijke Jeugdbond voor Natuurstudie, op streng bijbelse grondslag, opgericht. Misschien heeft ook de vrije sfeer die in de oorlog ook in de NJN ontstond meegespeeld: ‘tochten’ - alles dat niet vast zat, dat eigen je je toe - en ‘organiseren’ - zorgen dat iets er komt -, werden gewone begrippen in de NJN. Als jeugdbond had de NJN een eigen vocabulaire. ‘Mieters’ werd niet door iedere ouder geapprecieerd.” Het is duidelijk dat de oprichting van een aparte christelijke jeugdbond voor natuurstudie voor Hendrikus niet had gehoeven. Uit: Wietske Prummel 2015, “Daar is Nico de Haan verder uitgegroeid” Interview met Hendrikus van der Laan in Zwols natuur Tijdschrift 2015 no.1: 20-23.
https://www.knnv.nl/sites/www.knnv.nl/files/users/Zwolle/ZNT%202015%201%20voor%20website%20kl.pdf 

33.2 Zie eerdere blog https://njn100jaar.blogspot.com/2020/06/27-het-jaar-1943-oude-en-nieuwe-wegen.html

33.3. Zie Coesèl (1997) p. 105. Hun website http://www.luontoliitto.fi/

33.4 Zie De Zweedse krantenberichten bij foto 2. Interessant is verder te weten dat deze groep ook nog steeds bestaat en floreert en zich als jeugdafdeling heeft gevoegd bij de in 1919 opgerichte grote Zweedse natuur- en milieuorganisatie. Dat je mede daardoor waarschijnlijk gratis lid kunt zijn, maar dat daar ook wel eens reclames tegenover lijken te bestaan. Ook zij hebben op Facebook een actieve 'Fältbiolog emeritus' groep (hun vertaling van 'ouwe sok'). Hun website https://www.faltbiologerna.se/

33.5 Website huidige DJN: https://www.naturbeobachtung.de/ (en hun oudleden heten ook 'Alte Socken').  Einde van de Wanderfugel zie 
33.6 Martijn de Jong 2006. De Jeugdbond die nooit bestaan heeft. De vijftien woelige jaren van de Katholieke Jeudorganisatie voor Natuustudie (KJN). In: Addo van der Eijk e.a. (red.) Jeugdbond 60 jaar. Boek Stichting Natuurinformatie, Groningen, p. 63-65.

33.7 Ruud Vis 2010.  Herinneringen aan Jan Lucas (1926-2009). Straatgras 22(1): 3-6.   http://natuurtijdschriften.nl/download?type=document;docid=538292

33.8 Zie Coesèl (1997) p. 105 en p. 115.

33.9 Telefonisch interview 12 augustus 2020 met Jacques de Smidt; aangevuld met: David Withrington, (red.) 2012.  International Youth Federation for Environmental Studies and Conservation – an account of the involvement of young people in conservation from 1950 to 2010 – NNA-Berichte 25. Jg., Sonderh. 1, Schneverdingen, (een rapport wat ik heb gekregen van Ed Romeijn, dank!). En zie verder Coesèl (1997) p. 119 voor de jongerengroep(en) van de KNNV.

33.10 Zie Coesèl (1997) pagina's 104, 115, 125-127, 139, 157, 170, 171, 173-175.

33.11 NJN promo filmpje over Bram https://www.youtube.com/watch?v=a45UJKA7IhE


 

Foto 2: Zweedse krantenknipsels van oa. 4 december 1947 en 22 januari 1948 over de  oprichting van de Fältbiologerna en met in de kop van het artikel rechtsonder 'jonge nachtbrakers naar Holland in de zomer' (via de 'Fältbiologerna emeritus' op Facebook)

Foto 3: Jacques bij de ondertekening van de oprichtingsakte en hij met een andere oprichter in 2009 (zie 33.9) 
Foto 4: Vaak de beste vrienden met de JNM (onder op twitter een lief berichtje) en soms wat baldadig naar elkaar.
Foto 5: NJN'ster Sara en JNM'ster Annemoon gezusterlijk naast elkaar in de Onnerpolder onder Groningen in juni 2018.

Foto 6. Sommigen zouden zich kunnen afvragen of NJN'ers gezien kunnen worden als 'oer-jeugdbonders' met de daarbij behorende tradities. Alfons van Winden, later bovo 1983, op het Paka van Dee XI en XII april 1976 in de Mariapeel, nadat we die dag met succes een beginnende Peelbrand hadden helpen blussen.


zaterdag 15 augustus 2020

32. 16 augustus 1920, 100 jaar geleden

Vroeger en nu. Boven: de vlag hoog! Links op het zoka bij Kotten in 1933 en rechts het zoka op Terschelling in 1937 met de reveille (32.1). Onder: excursie bij zonsondergang in 2019.

Buiten is het warm, maar hier binnen is het net te doen. Het zaaltje dat Molle hier in de Pius-sociëteit heeft geregeld, het eerste lokaaltje achteraan rechts in de gang, is eigenlijk prima: niet te groot en niet te klein. Vannacht had Molle me bij zijn ouders in huis te logeren uitgenodigd. Heel aardig, maar op de zolder was het eigenlijk net iets te warm: ik heb slecht geslapen, maar dat kwam ook door de zenuwen of het vandaag allemaal wel goed zou lopen. 

Met m’n knie stoot ik die van Molle aan onder de tafel.
‘Wie was de oudere man, hier net aan de tafel?’
‘Dat ga ik zo plenair zeggen’. 
Achterin staan een paar journalisten. Die man die daar staat te roken is volgens mij van de Telegraaf, hij staat nu net met de heer Sipkes te praten. En Molle neemt het woord, met een knipoog naar mij. Het duurt even voordat de hele zaal stil is.

‘Misschien vroegen jullie je net als Feiko af wie die meneer die net aan de tafel even langskwam was. Dat was de heer Noppe van de Centrale Commissie van het Nederlands Jeugdverbond. Hij kwam even langs om ons te feliciteren met de oprichting van de N.J.N.. De felicitaties kwamen net ook binnen in een telegram dat we zojuist van de A.J.C. ontvingen.' 

'Over morgen nogmaals: iedereen die een rijwiel bij zich heeft waarmee hij ver kan fietsen kan mee met de excursie die de heer Heimans bereid is voor ons te leiden naar Giethoorn, de anderen kunnen met mij en Hennie Hardon mee, dan gaan we een klein rondje maken via Wezep en gaan we via het IJsseldal bij Heerde en Wijhe terug. We verzamelen om 10 uur allemaal voor het station. Nog vragen?’

Toen nam ik het woord weer van Molle over.
‘Geen vragen, dus? Dan wil ik graag met een kort woordje dit eerste deel van de vergadering beëindigen. Allereerst dank voor het vertrouwen, dat jullie ons hebben gekozen als eerste Centrale Commissie van de jeugdbond die we net hebben opgericht. Zelf ben ik vereerd dat jullie mij als jullie eerste voorzitter hebben gekozen. De keuze voor een federatie van jeugdclubs op natuurhistorisch gebied lijkt mij een zelfstandigheid voor alle 
jeugdclubs garanderen en een mooi begin om met elkaar samen deze prachtige eenheid te gaan vormen: de N.J.N.. Dank ook aan alle aanwezigen gisterenavond waar we bij de heer Jonker de lijnen voor de vergadering van vandaag hebben kunnen uitzetten. Ondanks dat we slechts met een krappe meerderheid achter het laatste woord ‘natuurstudie’ zijn gaan staan vond ik dat woord toch een goed voorstel van de heer Heimans en ik ben er blij mee dat de naam de N.J.N., de 'Nederlandsche Jeugdbond voor Natuurstudie' is geworden. Laat ik dan nu het moment markeren dat de bond officieel opgericht is.' 
Een luid applaus brak los. 

'Dat we maar een mooi jaar met elkaar mogen hebben. We hopen zoveel mogelijk van jullie volgend jaar te zien in Denekamp.' 
'Over een half uur gaan we verder met het tweede deel van deze bijeenkomst.’
Een geschuifel met stoelen en een enorm geroezemoes vult het zaaltje nu. Als eerste natuurlijk die twee jongens en dat meisje uit Hoorn die links vooraan zaten en maar door bleven kletsen. 

Dit hele stuk fictie heb ik in de lijn neergeschreven zoals het vandaag 100 geleden gelopen zou kunnen zijn. We weten echter vrijwel niets over wat er op deze oprichtingsvergadering precies is gezegd en als er notulen waren gemaakt, dan zijn die niet bewaard gebleven (32.2). 

Hoe Nederlands zou de NJN eigenlijk gaan worden? De Vlamingen waren enige tijd aangehaakt en in 1959 min of meer gedwongen als zelfstandige BJN door te gaan. Verder werd op 30 december 2018 een discussie gevoerd op het Congres in Leiden over het eventueel aanvragen van het predicaat ‘Koninklijk’ bij het 100-jarig bestaan. Is de NJN daarvoor te anarchistisch was de vraag. Inderdaad was het Wim Klinkenberg die als eerste het Hitlerjugend verleden van prins Claus in een toen gelijk uit de handel genomen nummer van de Panorama bekend maakte in december 1965 en dezelfde Wim Klinkenberg was het die besloot om over prins Bernard een boek uit te brengen in 1979, waarin van de reputatie van de prins wat Klink betreft weinig heel zou blijven. Ouwe sok Annejet van der Zijl zou dat later en met nog meer succes in 2016 dunnetjes overdoen. Aan de andere kant heeft een verhaal over ouwe sok Rita Jonker van Texel misschien ook op een volstrekt andere manier met ons gecompliceerd verleden met blauw bloed van de oranjes te maken (32.3). En ooit heeft de NJN met zeer velen het Wilhelmus gezongen. Dat was op het grootste Congres ooit dat in Drachten-zuid bijeen was. Het werd door 1000 man/vrouw uit volle borst gezongen toen bekend werd dat Japan zich een dag daarvoor aan de geallieerden had overgegeven. Dat is vandaag precies 75 jaar geleden op donderdag 16 augustus 1945 gebeurd.

Jeugdbond staat bij ons natuurlijk voor ‘vrije jeugdbond’: alle beslissingen zijn voor jongeren door jongeren genomen. Adviezen kunnen worden aangehoord, maar mogen altijd in de wind worden geslagen. Zoals Jacques de Smidt (HB 1954) mij van de week door de telefoon zei 'Je kon als NJN'er/ster de meest rare ideeën hebben die je wilde, doordat er nooit mensen ouder dan 23 bij waren, werd je zelden teruggefloten en kon je soms die ideeën ook daadwerkelijk realiseren.'  

Natuurstudie, de groene zandbak. Dankzij die niche heeft ze als enige landelijke jeugdvereniging door mogen gaan tijdens de oorlog. In de jaren twintig was de NH-kennis gering: de kennis van de oudere 'kampouders' waren vaak een welkome aanvulling op de weinige determinatie literatuur. De traditie van de jeugdbondstabellen werd halverwege de jaren dertig begonnen en hun invloed duurt tot de dag van vandaag voort. Tegenwoordig is met het digitale Obsidentify het determinatie 3.0 tijdperk begonnen.

Uiteindelijk is er recent besloten dat de letters NJN, eeuwigheidswaarde hebben, maar het oorspronkelijke uitschrijven van de betekenis daarvan wordt de afgelopen jaren af en toe vervangen door een iets modernere variant ('de Natuurvereniging voor Jongeren'), in de hoop daarmee beter aan te sluiten bij de leefwereld van de huidige jeugd. Natuurlijk is dat goed: de bond moet vooruit. Maar op de website van de NJN staat dit jaar gewoon weer waar de NJN letters al precies een eeuw voor staan; ook dat is goed.

 

Opmerkingen

32.1 Bovenste foto's uit het fotoalbum van Victor Westhoff, waarvan de linkerfoto gemaakt is door de toenmalige bovo Wim van der Kloot. Inzet linksboven: oud NJN insigne, foto van Fred Bos. Onderste NJN-foto ergens vandaan opgeslagen.

32.2. Nog wel wat genomen besluiten zijn desondanks soms wel op te diepen, bijvoorbeeld uit het Twents Dagblad Tubantia en Enschedese Courant van 18 augustus 1920: 'Men zal trachten een deel van de Levende Natuur ter beschikking van den bond te krijgen. Voort zal bevorderd worden het kampeeren, het maken van tochten, het inrichten van blokhuisjes, verspreid over het geheele land. Tevens zal getracht worden met andere leden, tijdens de vacanties, van woonplaatsen te ruilen'.

32.3 In eerste instantie was ik er niet uit of ik  dit verhaal hier nu wel of niet iets zou neerschrijven maar ik heb inmiddels wel een tweede bron gevonden om het verhaal te verifiëren: in de Texelse courant in 2016 is er ook een artikel over geschreven. Vast staat dat behalve prins Bernard ook prins Hendrik andere kinderen had, dan die bij hun vrouw. In onderstaande link naar een artikel op internet staat vermeld dat de moeder van Rita Jonker ooit een minnares was van prins Hendrik (de man van Wilhelmina) en dat hij de vader van Rita was. Daarmee zou er binnen de NJN zelfs nog een beetje blauw bloed hebben gestroomd. Verder komt in het stuk ook haar rol binnen de NJN ter sprake (bij een van de oprichtingen van afdeling Texel en als iemand die er bij de oprichting van de sjocgroep bij was). Zie https://www.irenemaas.nl/pages/Westermient/Marietje.htm.


Propaganda toen

NJN tentoonstelling linksonder en boven (prominent links Kees Diesch en prominent rechts Nico Lijssen) in 1929 en rechtsonder in 1932 in het kunstmuseum (alle in Middelburg; foto's uit het Zeeuws archief). 

1931 Tentoonstelling NJN Apeldoorn (Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant van 20 oktober 1931)




Propaganda nu


In 2020: @NJN_natuur op Twitter, verder zit de NJN natuurlijk op Instagram en Facebook en de interne communicatie gaat tegenwoordig vooral via WhattsApp.


37. So Long, Farewell, Auf Wiedersehen, Goodbye

Foto 1: Kort verslag over de eerste excursie naar de Baest bij Oirschot die ik als proef lid meemaakte op 29 oktober 1972 in de Fragilaria e...